web-artikelen
 
   
Langzaam ontzuild in Middelburg (1960-1980)
   
1. Aanleiding
 
   
De jaren zestig waren, zo zei David Crosby van de legendarische supergroep Crosby, Stills, Nash & Young ooit, eigenlijk van 1965 tot 1975. In dat laatste jaar kwam er een partij goede popmuziek naar buiten (Year of the Cat van Al Stewart, Rumours van Fleetwood Mac, Songs in the key of life van Stevie Wonder, Born to run van Bruce Springsteen, Frampton comes alive van Peter Frampton, enzovoorts) waar ik achteraf nog steeds stil van word of juist bijzonder enthousiast. Muziek is voor mij altijd van bijzonder groot belang geweest. Al heel vroeg kwam ik met muziek in aanraking, want er werd veel gezongen, muziek gemaakt en beluisterd bij ons thuis. Het was een hervormd gezin en veel liedjes hadden dan ook een christelijke achtergrond, maar zeker niet allemaal. Binnen dit gezin kwam de grote wereld steeds meer op ons af, als golven op het strand, de ene verandering de andere opvolgend. Ik ben erdoor gevormd en heb er keuzes door gemaakt. In dit artikel wil ik een poging ondernemen te achterhalen hoe de ontzuiling in Nederland tot ons gezin doordrong en welke elementen ervoor verantwoordelijk waren dat er bepaalde keuzes werden gemaakt. Het artikel pretendeert geen wetenschappelijk verantwoord onderzoek te zijn; gewoon ik en mijn geheugen.
 
   
2. Historische context
   

Middelburg is altijd een stad geweest waar veel kerkgenootschappen zijn ontstaan. Na de Reformatie bleef het lang bij de Hervormde Kerk, eigenlijk de enige van staatswege getolereerde kerk. Er waren wel gedachten en richtingen binnen die kerk, maar niet zodanig dat die voor officiële scheuringen of afleidingen zorgden. In de negentiende eeuw veranderde het kerklandschap drastisch. Door de godsdienstvrijheid, vastgelegd in de grondwet van 1848, kon de katholieke kerk floreren en beleefde een reveille. Ook binnen de Hervormde Kerk rommelde het; de Doleantie is daar een voorbeeld van. Soms werden de dan ontstane scheuringen en afleidingen begonnen door dominees van de dorpen, soms vanuit de steden. In Middelburg leidde dit tot vele kerkgenootschappen. Tot in de jaren tachtig van de twintigste eeuw werden er genootschappen afgescheiden. Ook binnen de kerken van de hervormden en gereformeerden ontstonden groepen rond voorgangers die het geloof en de beleving ervan in een ander kader plaatsten.

Vanaf 1848, toen in de Grondwet de mogelijkheid werd geschapen voor het oprichten van bijzondere scholen, kwam er een hausse aan schoolstichtingen, voor zowel lager- als middelbaar onderwijs. De stichtingen kwamen vaak snel na de oprichting van een nieuw kerkgenootschap, waardoor de schoolstichtingen vrijwel gelijke tred hielden met de kerkstichtingen. Toen verenigingsuitingen en andere vormen van sociale organisaties vanuit hetzelfde gedachtegoed tot stand kwamen (boerenorganisaties, vakbonden, kranten, politieke partijen, sportverenigingen e.d.) was de verzuiling een feit, nog eens bekrachtigd door de beëindiging van de Schoolstrijd met het vaststellen van de lageronderwijswet uit 1920, waarin openbaar en bijzonder onderwijs – ook financieel – gelijk berechtigd werden. Tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw – waarna nieuwe wetgeving en de schaalvergroting in het onderwijs er een streep doorhaalden – bleven schoolstichtingen vanuit geloofsovertuigingen veel voorkomen. Overigens is het nog steeds mogelijk, maar zijn de regels voor schoolstichting aanmerkelijk aangescherpt.

Ingegeven door de geloofsbeweging van de Amerikaanse predikant Billy Graham werden veel jongeren geïnspireerd om zich aan te sluiten bij jongerenbewegingen die het geloof centraal stelden. Youth for Christ is al wat ouder, maar de Navigators was een nieuwe beweging onder studenten, begonnen in 1964.

Tot die tijd had de jeugd nauwelijks een eigen plaats in de kerk, terwijl ze wel met vraagstukken werd geconfronteerd op een leeftijd die openstaat voor beïnvloeding. Na de Tweede Wereldoorlog kwam de Jonge Kerk op. Binnen de gevestigde kerken kwamen vanaf de jaren zestig ook de fenomenen Jongerenkapel (bij de hervormden) en kindernevendiensten op. Genoemde bewegingen of clubs begonnen in de jaren vijftig en kenden een bloei in de jaren zestig en zeventig, ook in Middelburg.

Er werden ook huisdiensten georganiseerd rond mensen die zich niet met een kerk wilden verbinden, maar wel in gezamenlijkheid met geestverwanten hun geloof wilden belijden. Het voert te ver binnen het kader van dit artikel om daar uitvoerig op in te gaan. Het is hier ook niet de plaats om stellingen aan te gaan dat het dan veeleer om sektevorming zou gaan dan om bewegingen binnen en rond de gevestigde genootschappen. Wel is het zo dat het lid zijn (van contributie was wel degelijk sprake) van Youth for Christ goed te combineren viel – sterker, gepropageerd werd door sommige voorgangers van de officiële kerken – met het lidmaatschap van een reguliere kerk. Afscheiding was dan ook niet aan de orde. Praten over het geloof en geloofsbeleving kon. De grenzen waarbinnen waren rekkelijk, maar uit de kerk treden was wel meteen het teken dat met iemand die dat deed niet langer over geloofszaken kon worden gesproken. Het moest wel binnen de grenzen van een kerkgenootschap blijven.

 
   
3. Opgroeien in Middelburg
   

Middelburg in het begin van de jaren zeventig. De zuilen waren aan het afbrokkelen, maar belangrijke ingrediënten waren nog aanwezig. Hervormden gingen één keer per zondag naar de kerk, gereformeerden twee keer en mensen van reformatorische huize drie. Met die laatste groep hadden de eerste twee overigens weinig van doen. Als er nog een zuil is in Nederland, dan zal het die van de reformatorische wereld zijn, met een eigen sociaal leven en alle uitingen daarvan van dien.

Als jongen van een jaar of twaalf, dertien mocht ik van mijn ouders kiezen tussen catechisatie of Youth for Christ. Dat was enigszins bijzonder, omdat vrijwel al mijn vrienden van christelijke huize naar catechisatie gingen. Ik heb één keer zo’n ‘les’ meegemaakt en dat ging over de ontstaansgeschiedenis van de wereld in relatie tot wat de Bijbel daarover zegt. Al tamelijk snel kreeg ik door dat we dat thuis al menigmaal hadden besproken en toen mijn ouders mij de keus voorlegden, koos ik meteen voor Youth for Christ. Niet dat ik wist wat daar gebeurde en werd verteld, maar het was in de stad en klonk avontuurlijker dan elke week een les in de Ontmoetingskerk, die aan het eind van onze straat lag. In ons gezin stond geloofsbeleving en het praten over de Bijbel en het geloof meer centraal dan in andere gezinnen; daar kom je natuurlijk pas achter als je merkt hoe erop wordt gereageerd door vriendjes en hun ouders. Mijn ouders behoorden in de jaren vijftig tot de Jonge Kerk (binnen de Hervormde Kerk). In mijn prilste jeugd kwamen er diverse mensen over de vloer die allen meer diepgang zochten in het geloof en vragen stelden bij de dogma’s van die tijd. Zo kwamen er Amerikaanse jongeren die over de hele vloer verspreid lagen te slapen, Vlaamse dominees die tegen kinderdoop waren en werden er discussies gevoerd over alle onderwerpen die bij de ‘progressieve’ christenen leefden. Omdat mijn moeder op een bepaald moment de voorrang gaf aan een rustig gezinsleven boven de hectiek van discussieavonden met slapers, heb ik daar later weinig van meegekregen.

Er werd thuis wel muziek gemaakt, christelijke liederen gezongen, uit de Bijbel voorgelezen – de twee kinderbijbels van Anne de Vries (Oude en Nieuwe Testament) met die prachtige platen erin van Cornelis Jetses – maar ook uit boeken die over de Bijbel gingen, tot en met boeken van Hal Lindsey over de interpretatie van de Apocalyps. Vrijwel niets was onbespreekbaar. Mijn vader was actief in de kerk, had gepreekt in het oude, inmiddels danig verwaarloosde en te koop staande kerkje in het Vogelstraatje op het Zand en was de bedenker van de naam Ontmoetingskerk, het nieuwe kerkgebouw van de Hervormde gemeente dat begin jaren zestig verrees aan de Oosterscheldestraat in de nieuwbouwwijk Stromenwijk. Hij was ook actief binnen het kerkwerk. Ik zie ze nog aan de tafel in de achterkamer van ons huis de centen van de collecte voor de zendingscommissie tellen; mannen met sigaren en sigaretten in de mond, ondertussen zachtjes getallen mompelend.

Eind jaren vijftig, begin zestig van de twintigste eeuw kwamen er dus steeds meer mogelijkheden voor de jeugd om met geloofszaken bezig te zijn, buiten de gebruikelijke gang naar de kerk. Vanuit de evangelisatie werden ook lezingen gegeven die goed werden bezocht in de bovenzaal van een gebouw aan de Bogardstraat. Mijn opa en oma gingen erheen en ook mijn ouders kwamen er. Later kwam het gebouw in het bezit van de Jehovagetuigen, overigens een van de genootschappen/groeperingen waar toen, net als ook nu nog, weinig affiniteit mee was. Vanuit de hoek van de Jonge Kerk kwamen er ook de liederen van Johannes de Heer, die bij ons thuis werden gezongen, maar ook daarbuiten gemeengoed waren.

Bij ons thuis was sowieso veel muziek. Dat varieerde van Mahalia Jackson, Joan Baez, Harry Belafonte, via Franse chansons, de Nederlandse liedjesschrijvers Jaap Fischer en Boudewijn de Groot tot klassiek. Ook singeltjes met liedjes als Het ruw houten kruis werden gedraaid. Een tijd, overigens, waarin het nieuws in de wereld werd gebracht door G. J. B. Hilterman en we aan de radio gekluisterd zaten voor acties voor India, Israël en Biafra. Ook de oorlog in Vietnam kwam via de radio de huiskamer binnen. We kregen eind jaren zestig tv en zagen daar de maanlanding op en ook nachtelijke bokswedstrijden tussen Mohamed Ali (Cassius Clay) en George Foreman– zelfs in retrospectief begrijp ik nog niet goed waarom we dat deden, maar velen keken mee. Misschien wel omdat de tv zo’n nieuw medium was, er nog weinig zendtijd was en iedereen dan eigenlijk wel álles wilde zien wat er werd aangeboden. De wereld kwam vooral in de jaren zestig steeds dichterbij, met muziek (koffergrammofoon eind vijftig/begin zestig), radio (eerst distributie, daarna in een radiomeubel met grammofoon), een auto (in 1967), tv (vanaf 1969).

De zondagsschool bestaat al langer binnen de Hervormde Kerk. Vanaf de eerste klas van de lagere school ging vrijwel ieder kind naar de zondagsschool en hoefde dus tot het eind daarvan niet naar de ‘grote’ kerk. De voorgangers van de zondagsschool waren mensen die het leuk vonden – of hun godsdienstige plicht/verantwoordelijkheid – om jonge kinderen te onderwijzen in het geloof. Op het Zand en voor de Stromenwijk was de zondagsschool gevestigd in de lagere school aan de Trompstraat, waar ik door de weeks ook al kwam. Het was de Christelijk Hervormde Lagere School ’t Zand, waar mijn vader een aantal jaren onderwijzer is geweest, samen met mensen als De Ru, Den Hollander, Everaars, Schroevers, (hoofd der school) Schippers en later diens opvolger Boom. Mijn vader gaf ook les op de zondagsschool, maar meestal waren het geen onderwijzers. Ook de zondagsschool had een hoofd. In de jaren zestig was dat de badmeester van het zwembad Bosdijk. Anderen waren Dekker en Dobbelaar. Er werden liedjes gezongen, verhalen verteld, tekeningen gemaakt en bouwplaten van de tempel van Salomo. Ik ging er netjes naartoe, met een stropdas met elastiek rond de nek en met een vliegtuigje en een dobbelsteentje als afbeelding.

Over die liedjes: tot lang na de zondagsschool heb ik gedacht dat Blowing in the wind van Bob Dylan én een christelijk lied was én Nederlands van origine… ‘Het antwoord, mijn vriend, waait verder met de wind, het antwoord waait verder met de wind….’

Met Kerst was er een gezamenlijke dienst in de Ontmoetingskerk, waar je als kind een boekje kreeg. Die waren niet altijd even stichtelijk, maar wel geschreven door mensen die tot de kerk behoorden of de moraal onderschreven, zoals W.G. van der Hulst. Boeken als Voetstapjes in de sneeuw, Het weggetje door het koren, Oude Bram, Het gat in de heg en andere werden met Kerst uitgedeeld. Wie van de zondagsschool afging, kreeg een mooi boek. Zo ben ik nog steeds in het bezit van de Atlas van de Bijbel, voorwaar geen goedkoop boek, wat aangeeft dat de kerk in die tijd over voldoende middelen beschikte om dergelijke uitgaven te kunnen doen. Het ging ten slotte niet om een paar boeken, maar om tientallen. De babyboom zorgde niet alleen voor snel groeiende scholen, maar ook de zondagsscholen zaten vol. Die boeken kwamen overigens van boekhandel ’t Zoeklicht op de Nieuwe Burg, een hervormde boekhandel. De Nieuwe Burg herbergde in die jaren maar liefst vier boekhandels, een gereformeerde (Fanoy, met de familie Anbeek, nu in De Drvkkery op de markt gevestigd), de genoemde hervormde boekhandel ’t Zoeklicht (eigenaar A.P. (Arie) de Jong) en twee neutrale boekhandels van Fey (met uitbater W. Notebaert) en Loekemeijer, die ook postzegels verhandelde in een apart winkeltje. In Middelburg waren toen nog meer boekhandels, waaronder Kip aan de Markt (hoekje Keldermansstraat), Sanddijk en Van Benthem en Jutting in de Lange Delft en kantoorboekhandel van Sparrentak, eveneens in de Lange Delft. De verzuiling zat dus ook in de boekhandels. Als kind kochten wij bij ’t Zoeklicht. Alleen de (Maranathakalender voor mijn oma (een scheurkalender op een karton met een bijbelse afbeelding in kleur) schaften we bij Fanoy aan.

Na de zondagsschool ging je naar de jongerenkapel. Daar zat je een paar jaar, ik meen tot je vijftiende, zestiende en dan ging je de echte kerkdienst in. Dat gebeurde toch wel, want ik ging met mijn ouders ook wel naar dominees luisteren in andere kerken, zowel in Middelburg (Korevaar) als in Veere (Hoogenkamp) en Grijpskerke (Vermeulen). Gezamenlijke diensten waren er met de feestdagen. Bij de jongerenkapel kregen we een dienst voorbereid door mensen als Schot, Bimmel en Van der Heide. Daarbij werd er ook op een klein orgel gespeeld. De jongerenkapel was in een bovenruimte van de Ontmoetingskerk.

Vanuit het gezichtspunt van mijn ouders was het dus niet zo vreemd om hun jongste zoon naar de koffieshop en de bijbelcursussen van Youth for Christ te laten gaan. Hun oudste zoon, mijn broer Gerben, koos voor de Navigators. Door het bezoek van Billy Graham aan Antwerpen rond 1970 kwam er in Middelburg – toch geen studentenstad in die jaren – ook een eigen  CaptainsClub (landelijk opgericht in 1972), onder leiding van Anneke en Bram Joziasse, wiens ouders een modezaak hadden op de punt van de Nieuwe Burg. De koffieshop – een begrip dat nu geheel anders wordt uitgelegd, maar het was echt een plek waar koffie, thee en fris werd geschonken – van Youth for Christ was gevestigd in een oud pand in de Schuitvlotstraat en heette Het Schuutje. Een paar jaar later verhuisde het naar een inmiddels ten gunste van het Zeeuws Archief afgebroken pand aan het Hofplein. Er kwamen veel jongeren vanuit de gereformeerde hoek en zelfs vanuit het reformatorische volksdeel. Met het bestuur heb ik me nooit beziggehouden. Het was wel een tamelijk intolerant clubje. Toen ik jaren later zelf aanbood de bijbelcursussen te ondersteunen en een van mijn aandachtspunten was de geloofsbeleving van mensen uit verschillende geloven te behandelen, bleek dat onbespreekbaar. Het mocht alleen gaan over het christelijk geloof. Het adagio ‘Er is maar één weg, één leven; niemand komt tot de Vader dan door mij’ was het argument om niet over andere geloven te praten, anders dan dat die misleid waren en het verkeerd hadden en dus bekeerd moesten worden. Díe drang is nooit bij mij aanwezig geweest en was dan ook een van de redenen dat ik me distantieerde van in eerste instantie Youth for Christ en later van de kerk.

Zo zat ik dus op een hervormde lagere school, de zondagsschool (onbekend bij het gereformeerde volksdeel) en de jongerenkapel van die kerk, de met veel hervormde jongeren gevulde gymnastiekvereniging Veldo (vlug en lenig door oefening) en kocht mijn boeken bij een hervormde boekhandelaar. Wel speelde ik met vriendjes van verschillende pluimage. Binnen de Hervormde Kerk (althans binnen ons gezin) was dat geen enkel probleem.

 
   
4. Geleidelijk veranderen
   

Waar lag nou dat omslagpunt, waar de totaal doorgevoerde verzuiling – zojuist geschetst – langzaam maar zeker afbrokkelde? Een echt punt is niet te noemen. Er was meer sprake van een geleidelijk proces, waarbij de persoonlijke verwijdering/onttrekking van/aan de eigen zuil parallel verliep aan die in de grote wereld. Na de lagere school zou ik naar het christelijk voortgezet onderwijs gaan. Dat gebeurde niet. Ik ging naar de brugklas van de Stedelijke Scholengemeenschap met vele medeleerlingen van de lagere school. De reden was simpel. Er was bij de christelijke scholengemeenschap geen havo/mavo brugklas en daar was ik op getest. Toen ik na dat jaar toch geen havo kon doen, was de Dwarskaai (de openbare mavo) voor mijn ouders geen optie, want er waren ten slotte drie christelijke mavo’s in de stad (de hervormde aan de Olmenlaan, de gereformeerde aan de Oranje Nassaulaan en de reformatorische aan de Koninginnelaan). Aangezien mijn vader de school van F. Rhebergen (directeur van de Oranje Nassaumavo) inhoudelijk sterker vond, ging ik naar die school. In feite was dat een scheurtje in de verzuilingsgedachte, maar kennelijk vonden mijn ouders goede scholing belangrijker dan de geloofsrichting van een school. Zo kwam ik wel in aanraking met veel klasgenoten van gereformeerde huize. Daardoor ging ik ook, vanaf de tweede en derde klas, niet meer alleen naar de Second Home Soos in de Ontmoetingskerk (met jongens als Mark de Bokx en Sjaak Davidse achter de bar), maar ook naar de feestjes in de Getuigeniskerk aan de Adriaen Lauwereyszstraat en Hocus Pocus in het gebouw van de Hofpleinkerk bij de Wagenaarstraat. Door vriendschappen en verkeringen kwam ik ook bij die mensen in huis. Er ontstond een vermenging die daarvoor niet aan de orde was. Sommige ouderen hadden daar wel moeite mee.

Mijn oma van vaders zijde had de kerkscheuring op Koudekerke meegemaakt als jong meisje en als er iets niet in de haak was had ze het over ‘een gereformeerde streek’. De oma van mijn echtgenote van vaders zijde, toevallig ook een jeugdvriendinnetje van míjn oma, had het nog wel eens over ‘een hervormde streek’… Die mensen zagen niet zoveel in toenadering, laat staan in verkering. ‘Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen’, werd dan ook wel eens gehoord. Tussen hervormden en gereformeerden bleek de kloof, in elk geval voor jongeren, gemakkelijk te overbruggen. Het leidde er ook toe dat in Middelburg tamelijk snel werd gezocht naar wegen om de hervormde en de gereformeerde kerken weer samen te voegen, een beweging die bekend ging staan als Samen op weg. De toenadering gold zeker niet voor het reformatorische volksdeel en ook de katholieke jeugd volgde toch een andere lijn. Ik kan me tot mijn achttiende niet herinneren veel met katholieke jongeren te zijn opgetrokken. Ze zaten ook nauwelijks op de scholen waar ik zat en toen ik in 1977 naar de CPA (Christelijk Pedagogische Academie) ging was er nog een aparte klas voor katholieken, die ook een eigen godsdienstleraar hadden.

Toch was er nog wel degelijk een verschil tussen de levens van de hervormde en gereformeerde jongeren. Zo hoefde ik maar eens per zondag naar de kerk en de gereformeerden twee keer. Als ik met een gereformeerd meisje ging fietsen dan moest ze wel om half vijf terug zijn. Wij gingen op zondag naar het strand, waar we vanaf begin jaren zestig bij Zoutelande een daghokje hadden. Veel gereformeerden mochten dat niet, laat staan een ijsje eten. Mijn schoonmoeder, van gereformeerde huize, was duidelijk geschokt toen de dominee op zondag ging zwemmen. Dat was onder meer de aanleiding voor veel dorpsgenoten om hetzelfde gedrag te volgen en in elk geval goed te praten.

De stad lokte. Niet alleen de koffieshop van Youth for Christ of de aan de kerken gerelateerde sozen, maar ook de café’s. Bind je de kat op het spek als je je kind op dertien-, veertienjarige leeftijd alleen de stad in laat gaan? Ik ging dus niet alleen naar de koffieshop, maar kwam ook op de Vlasmarkt bij Tognog of in Het hof van Zeeland, bij De Mug en later in De Poort in de Heerenstraat. Ik had niet zoveel zakgeld dat ik onmiddellijk aan de drank raakte, maar dronk daar toch wel mijn eerste biertjes. Alleen was ik niet, want er waren er wel meer die dat deden. Ook het City-theater in de Lange Delft lonkte, met films die niet altijd even geschikt waren voor jeugdige kijkers en daardoor wel zo spannend. Het was ook de plek voor de grote avonden van gymnastiekvereniging Veldo. Andere verenigingen, waaronder mijn korfbalvereniging Swift, benutten de Schouwburg. In het City-theater werd ook Jesus Christ Superstar gedraaid. Dat zorgde voor taferelen, waarbij sommige jongeren liepen te folderen en discussies wilden aangaan tegen de vertoning van de film (jongens als Centinus van Iwaarden en Arie Geelhoed); ze kwamen vooral uit de actieve hoek van de reformatorische kerken, maar ook wel uit ‘gewoon’ gereformeerde kring. Een vergelijking met de in augustus 2006 actuele actie van SGP-jongeren om bepaalde scènes uit de tournee van popster Madonna te schrappen (die gekruisigd met doornenkroon op het toneel verschijnt) dringt zich op. Jesus Christ Superstar heeft op veel van mijn generatiegenoten diepe indruk gemaakt, vanwege de ophef, de keuze van het onderwerp en niet in de laatste plaats vanwege de muziek. De invloed van popmuziek op de ontzuiling mag zeker niet worden onderschat. Het is bijzonder lastig die te duiden, maar voor mij was popmuziek, in combinatie met het zelf maken van muziek, een aardschok van kosmische proporties. De emoties die muziek met zich meebrengt laten zich nauwelijks in objectieve bewoordingen vatten.

Bij Youth for Christ werd volop muziek gemaakt. Er was bij de bijbelcursussen altijd wel iemand met een gitaar (waaronder ik) die de liedjes begeleidde. Liedjes als Welk een vriend is onze Jezus werden in de huiskamers van degene die onderdak bood aan de bijbelcursussen met volle borst meegezongen. Muziek vormde beslist een brug, een bindmiddel in een tijd dat muziek onder de jeugd zich meer en meer in een brede belangstelling mocht verheugen. Ook de kerk maakte er gebruik van. Dominees als Rodenburg van de Ontmoetingskerk lieten jongeren met hun instrument naast het orgel meespelen. Dat gebeurde ook in de jongerenkapel. Ik heb daar, zowel als bij Youth for Christ en bij kerstnachtdiensten, regelmatig op gitaar meegespeeld. Het overwon misschien ook nog wel de drempel om in het openbaar te zingen en te spelen. Popmuziek werd het echter nooit. Veel bleef in de folk hangen. Vertalingen of nieuwe teksten op muziek van Dylan en anderen vonden hun weg wel, ook als de oorspronkelijke teksten geen godsdienstige bedoeling hadden. In de kelder van de Ontmoetingskerk werd door jonge popgroepjes wel gerepeteerd. Het maakte kennelijk ook niet veel uit of alle bandleden wel lid waren van de kerk. Met Jan Piet de Klerk en Benjamin (Bé) den Hoedt vormde ik toen het bandje Sulphur (wat in retrospectief wel weer aardig is als je in een kerk speelt) dat in Second Home welgeteld één optreden verzorgde. We oefenden er wel, of op de slaapkamer van Bé (mijn buurjongen), tot de wederzijdse ouders de geluidsoverlast beu waren. Een ander bandje dat er oefende was Monroe met onder meer Jaap van Boven. Of ze daar het nummer Polio for the people bedachten, weet ik niet, maar dat was in die tijd (zo rond 1976) een in eigen beheer uitgebrachte single, als reactie op het niet willen laten inenten tegen polio door sommigen uit de reformatorische hoek. De hoes toonde de band rond een grafkist. Dat dergelijke muziek (stevige rock, op de grens van punk) in de kelder van een kerk werd gespeeld, zegt ook iets over veranderde omstandigheden. Kennelijk was er geen controle meer op.

Het was niet alleen de stad die lokte. Youth for Christ kende ook landelijke manifestaties, onder meer jaarlijks in Steenwijk, waar christelijke coryfeeën uit binnen- en buitenland kwamen (s)preken. Regelmatig werd er naar andere steden getrokken om te folderen, op zeepkisten geloofsverklaringen af te leggen of gezamenlijk te bidden. Het waren (naast de doelen op zich) gelegenheden om het land in te trekken, de vleugels uit te slaan. Ook in Middelburg werden eens per jaar bid-ins of biddagen georganiseerd op het Hof van Tange (achter Kloveniersdoelen, waar nu het parkeerterrein is). Ook daar muziek, preken, cursussen, geloofsverklaringen, gebeden en de verkoop van ondersteunende lectuur. Het was een beweging die veel Middelburgse jongeren aantrok en bezighield (in meerdere opzichten).

Uitbreken werd makkelijker naarmate de grenzen minder streng werden bewaakt. In de dorpen ging dat wat trager dan in de stad en in kleine steden als Middelburg weer wat trager dan in het Amsterdam van de jaren zestig en zeventig. Die stad was als een vage lokroep die veel van mijn generatiegenoten aantrok als vliegen naar een lamp (er zijn er inderdaad ook tegenaan geknald en niet meer teruggekomen…).

Voor mij eindigde veel van wat ik hiervoor heb neergeschreven met mijn gang naar de CPA, vlak achter ons huis (in het voorjaar van 2006 afgebroken t.b.v. een brede school voor basisonderwijs). Ik ging weg bij Youth for Christ, evenals bij de sozen, die toch voor een jonger publiek waren bedoeld. Op de CPA waren er toch nog wel veel restjes van de verzuiling overgebleven. Nog niet zolang voor mij mochten meisjes geen broeken dragen op de CPA, dus moesten ze zich omkleden in de wc’s. We werden nog beoordeeld op uiterlijke verschijningsvorm, wat in feite achterhaald was, want we liepen in grote meerderheid rond met gerafelde spijkerbroeken, wollen hesjes, gemacrameede fietsenspaken, lang haar, Catweazel sikjes, kettingen van ban de bom, geborduurde vlinders en pukkels vol met namen van je favoriete bands (The Beatles, The Rolling Stones, Neil Young, Bruce Springsteen, Stevie Wonder, Pink Floyd, Yes, Neil Young, Frank Zappa, David Bowie, Jimi Hendrix en noem maar op).

 
   
5. Een soort conclusies
   

De ontzuiling ging geleidelijk. De invloeden kwamen veelal van buitenaf. De wereld kwam in huis, de discussies, de oproeren, protesten, meningen… Ze zorgden voor discussies in huis, met vrienden, leraren, op de clubs, in de sozen. De dwang om tot een bepaalde zuil te behoren viel weg; het maakte niet meer uit. Zo tussen 1965 en 1975 gebeurde dit allemaal en rond 1980 had het zijn climax wel bereikt. De thema´s van de jaren zeventig veranderden en de jaren tachtig brachten andere thema´s. De energie van de opgroeiende jeugd werd in werk en inkomen, een eigen gezin en de beslommeringen van alle dag gestoken. De drive om de straat op te gaan viel weg. Er waren ook minder jongeren, want de babyboom was voorbij, de democratiseringsgolf was voorbij. Wat viel er nog te protesteren? Alles was toch al bereikt! De kraakbeweging had een andere achtergrond. Woningnood, hoge kosten voor studentenhuisvesting, anarchistische trekjes en natuurlijk de mars tegen de kruisraketten, misschien wel de laatste stuiptrekking van de ‘Vredesbeweging’ en met deze nahik waren de jaren zestig toch wel ten grave gedragen. Graag laat ik het aan de generatie van de jaren tachtig over om hier een genuanceerder oordeel over te vellen.

 
   
6. Een persoonlijke slotnoot
   

Tot slot nog een paar persoonlijke opmerkingen. Opgroeiend in een gezin met een grote mate van religieuze tolerantie was er ruimte om persoonlijke keuzes te maken. Dat zijn niet altijd keuzes waar ouders zich goed bij voelen, maar het zijn dan ook niet hún keuzes. Als kinderen in een open atmosfeer opgroeien en kennis kunnen nemen van de wereld om hen heen biedt dat alle gelegenheid tot het maken van keuzes. Dat, samen met het leven in een tijd die in alles openstond voor nieuwe ideeën en het afwerpen van een oude huid die al te lang als te knellend werd ervaren, heeft mij en veel van mijn generatiegenoten gevormd. Ik ben blij dat ik in die periode van grote veranderingen en prachtige muziek ben opgegroeid, als laatste van de babyboomgeneratie. Dat dit tevens de verloren generatie wordt genoemd is een ander verhaal, dat misschien ook nog eens wordt opgeschreven.

Robbert Jan Swiers (Middelburg, 4 januari 1959)