Klein Leed (1990 - 1994)
 
 
Klein leed
 

 
Dit lichaam is ziek
 
 
Dit lichaam is ziek.
Maak het beter
of maak het af,
want doorgaan op deze manier
is een straf.
Ook al zal dit lichaam nooit meer zijn
zoals de oorsprong die het baarde
moeder aarde ...
 
 
Verborgen, opgevouwen
 
 
Verborgen, opgevouwen,
als een embryo, vol angst,
niet wetend wat nog komen gaat.
Gezichten als vissen zonder graat.
Wie vindt me, vouwt me open,
zorgt voor mijn eerste vangst,
vertelt me wat er komen gaat
en geeft me ruggengraat.

Ik ben de laatste tijd zo stil van binnen
en schreeuwend tegelijk,
soms verlost van al mijn zinnen
nog even en 'k bezwijk.

 
 
Ik pak m’n gitaar en ik zing
 
 
Ik pak m'n gitaar en ik zing
‘please let me in’.
Ik sta overal buiten.
Ik hoor nergens echt bij.
Te lang, te ver weg.
De werkelijke emoties
zijn de ergste niet.
Ze zijn echt, puur.
De nacht is lang.
De vis is duur.
De muur valt om.
Kom en pak me,
wrap me up.
I'm here.
Take me, I'm yours.
 
 
Zwart
 
Zwart.
Een zwart kastje.
In het hoekje
een zielig hoopje.
Zwart.
Ik.
Zolang, zolang.
Het stigma van het zonnige kind.
Hoe komt het dat ik me dat niet herinner?
 
 
Ik zag haar huilen
 
 
Ik zag haar huilen.
Ik voelde mee.
In onmacht verwrongen
zag ik doorgelopen mascara.
Gebalde vuisten.
Een zwarte wolk in haar hoofd.
Zeg niets meer.
Ik weet, ik weet, ik was daar.
Ik zag het met eigen ogen.
Nalatenschap, vooroordelen,
oogkleppen, woordeloos protest.
Ik kan niet alles weten.
Afhankelijk van woorden van anderen.

Heeft u die olifant gezien,
in dat filmpje van het WNF?
De tranen waren er bijna.
Ik zag haar huilen.

 
 
Leeg, hoeveel nog
 
 
Leeg, hoeveel nog?
Het moet: verkrampte vingers,
het bloed, zelfde muziek,
zelfde gedachten, zelfde woorden,
herhaling, woordvoordeel,
warme prijzen, nee, nee, nee ...
Ik wil geen onzin,
slechts klare klanken.
Bedanken voor de eer.
Zucht naar warme landen.
Idee van romantiek.
Muziek, Franse fratsen.
Associatief schrijven.
Laat het geen doel op zich worden.
Toch, een deel van mij
maakt zich vrij.
Mijn zegen heb je ...
 
 
Maalstroom
 
 
De maalstroom in mijn hoofd
 
 
De maalstroom in mijn hoofd
vraagt al dagenlang om rust
en zelfs met vitamine c
voel ik me volkomen uitgeblust;
kwam ik weer tot de ontdekking
dat ik echt alles alleen moet doen
en is de hulp van anderen
slechts een vertraging op mijn pad.

Zal ik doorgaan tot ik doodga
of eindigt het in visioenen
en tergend langzaam kruipt de tijd
alsmaar door tot mijn pensioen en
wil ik brakend woorden baren,
zoals Anja straks ons kind,
ben ik niet meer te bedaren
en zo vreselijk emotioneel.

Vind ik het erg om te huilen?
Nee, bevrijding was mijn deel.
Associërend op mijn dromen
krijg ik steeds helderder in beeld
dat ik alles wat ik wil
zelf gestalte zal moeten geven
en eindelijk zal moeten breken
met de nukken van mijn lot.

Dat heb ik tenslotte zelf in eigen hand.
Ik ben niet langer afhankelijk
van de ketenen van mijn jeugd
die mij bonden als een god,
waar ik ook mee gebroken heb
en waar ik alleen nog in gedichten
en gedachten over rep.

En, zoals zo vaak
bij het maken van gedichten,
weet ik nooit waar het toe leidt
en is de maalstroom in mijn hoofd
daar nooit op voorbereid.

Had ik maar een draad van Ariadne
in mijn hoofd, zodat ik de weg
die ik kwijt ben, weer terug kan vinden.
Was alles maar achter de rug,
maar ik moet nog vele wegen
en ik ben al zo vreselijk moe,
maar ik moet het echt alleen doen.
Ik kan naar geen ander toe.

Het gaat maar door en houdt niet op,
dit zoeken naar de juiste.
Ik zal er mee moeten leven,
maar echt makkelijk is het niet.
Ook al weet ik hoe het werkt,
dat maakt het nog niet eenvoudig.
Daarom braak ik woorden
en droom dagelijks over straf,
want straf komt na de zonde,
maar welke zonde heb ik begaan?
En ik geloof niet meer in god
maar heb ik dat dan ooit gedaan?

 
 
Ontwikkelingssamenwerking, archeologie
 
 
Ontwikkelingssamenwerking, archeologie,
duurzame ontwikkeling en mythologie,
milieuvoorlichting, politiek…
Moet ik nog langer doorgaan,
want dan word ik ziek.
Ik weet het, ik kan niet kiezen,
maar het rijtje is nog niet af:
muziek, tekenen, proza, poëzie.
Als je zoveel dingen doet
is het bijna een straf.
Liedjes, spel en cabaret,
film, opera of alternatief toneel,
avant-gardistisch muziektheater.
Niets is toch teveel.
Waarom geen speleologie
of duiken bij Bonaire?
Waarom geen toefje broccoli
op de derrière van de douairière?
Bimbo Bochel, het reuzenkind.
Wie zich zoekt, die zich vindt.
Eén zwaluw maakt
nog geen zomer,
behalve voor een dromer.
Ik vlieg nu weg.
Laat me maar gaan.
Ik weet niet of ik terugkeer.
Als de zon mijn vleugels smelt
zie je me wel weer.
 
 
Schaamteloze eerzucht
 
 
Shaamteloze eerzucht.
Wie ooit die race begon,
zal zich nooit afvragen
of het ook anders kon.
 
 
Ooit werd ik gemaakt
 
 
Ooit werd ik gemaakt.
Wanneer ben ik het spoor bijster geraakt?
Toen men mij vanuit de haven
de onvoorspelbare zee op zond?
Was dat ook de tijd dat men
mij toch zo'n aardig baasje vond?
Of was het al gelijk, vanaf de rede,
dat ik niet wist welke koers te gaan
en nu, richtingloos en dus ontevreden,
bezig ben onzin uit te slaan?
Wist ik maar waar de haven was
van waaruit ik ben vertrokken.
Dan kon ik het misschien over doen,
vol van hoop en onverschrokken.
Wie heeft schuld aan deze situatie?
Niemand, vrees ik,
maar ik leg me nog niet neer
bij deze slechte navigatie.
 
 
Het is laat
 
 
Het is laat.
Ik moet eruit,
of, eigenlijk, er in.
Morgen zal het zomer zijn.
De weerman heeft het nog gezegd.
Ik weet het wel
en voel het ook
- hij heeft het zelfs uitgelegd.
De zomer komt,
met lange dagen
en uren in de tuin,
met koude pils en
zonnebaden
en oogverblindend bruin.
Maar, dit moest nog even,
alleen dit lied:
Gedenk te sterven
of gedenk niet.
Pluk de dag
en pluk het leven.
Een heel verschil
maar wat is gegeven?

Het is laat
en ik zit te tikken.
Zomaar te stoeien
met dit ding.
De letters gaan,
de zinnen komen.
Ik moet nu dromen
om morgen te verslaan.

Kom, je weet nu toch niks meer te verzinnen.
Alles glipt weg terwijl je het wil pakken.
Gedachten zijn als slakken,
langzaam, maar glad
en daardoor snel
als gel.
Geef een lel
en laat dit stoppen,
dit nutteloos gedoe
en ga nu eindelijk eens slapen
lekker moe naar bedje toe...

 
 
Spontaan lukt alles
 
 
Spontaan lukt alles.
Rustig zitten leidt tot niets.
Zingend zinnen smeden.
Acapella rijmen kneden.
Als een sneltrein vormt het iets.
Zodra het denken start
en er logica moet komen,
verdwijnt het gevoel, de drift
en eindig ik in sjablonen.

Spontaan lukt alles
en onder druk het meest,
of ik door een tunnel raas,
niet leef, ik ben een geest.

Ik word boos
en zoek naar meer,
maar weet alleen te rijmen,
keer op keer.

Spontaan lukt alles
en in dat besef
zal ik moeten leven.
Ik ben (nog) niet mijn chef.

 
 
M’n schoenen knellen en m’n hoofd doet zeer
 
 
M'n schoenen knellen en m'n hoofd doet zeer.
M'n broer heeft Pfeiffer en ik wil steeds meer.
De zon gaat onder en de maan komt op.
Ik speel al weken geen gitaar meer en
het raast maar door m’n kop.
Is dit m'n leven, het lijkt zo snel te gaan.
Het is nog even en m'n kansen liggen op de maan.
Ik zoek het strand op en schreeuw tegen de meeuwen.
Ze vliegen door, de uren lijken eeuwen.
Ik zie een schelp, maar kom niet uit de lijnen.
Rond blijven ze draaien en ze willen niet verdwijnen.
Is dit m'n leven, al eenendertig jaar.
Hoeveel is me nog gegeven en hoe speel ik het verder klaar.
Ik rij over Rijksweg 58 in de richting Goes.
Ik heb zwaar de pest in, zeg maar gerust ik heb de blues.
Dit rijmt en is gejat, ja, zoals alles in het leven.
Heeft u een teiltje soms, dan kan ik even overgeven.
Was dit mijn leven, is er dan gvd niets meer.
Blijft het bij het beven, scheiterij, geëtter en gezweer.
Een flinke meid is op haar toekomst voorbereid.
Een flinke jongen krijgt een stijve.
Dat moeten ze bij postbus 51
maar eens flink in de ether wrijven.
Is dit leven, scheven ogen van de drank.
Is dit leven, iedere dag dezelfde knoflookstank.
Is dit leven, ieder jaar een nieuwe driezitsbank.
Is dit leven, god, als u bestaat, bedankt!
 
 
Met engelengeduld heb ik mijn ziel ontleed
 
 
Met engelengeduld heb ik mijn ziel ontleed.
Dat had ik kunnen schrijven, maar het is gelogen.
Met niets ontziende kracht heb ik in mijn ziel gegluurd,
als een oprechte echtgenoot
die door zijn ega is bedrogen.
Ik rukte aan een ieder die ik tegen kwam.
Luister naar me, ik heb een verhaal
en iedereen luisterde en sprak er schande van
- nu ben ik redelijk verbaal -
dat er mij zoveel leed is overkomen
en dat ik daar zo bijzonder onder leed.
Ze schudden hun hoofd in oprecht medeleven,
terwijl ik op zoek naar meer medelijden,
als een waanzinnige door de straten reed.
Ik heb godverdomme open wonden,
brulde ik in halsstarrig zelfbeklag
en begroef mijn hoofd in duizend schoten.
Ik ga alles doen wat niet mag
riep ik gedateerd, maar in pijn gegoten.
Ik las boeken, keek naar films,
zoog gedichten tot ik knapte,
kotste mijn binnenkant naar buiten,
terwijl ik ondertussen grapte.
Ik bestookte anderen met hun pijn,
liet hen deze spitsroeden mee ontdekken,
liep verloren door een nachtmerrie
en was in staat die nog te rekken.

Uitgekleed, volkomen leeg en razend,
machteloos, woedend op wat verloren is,
uitgemergelde gedichten
en de braakneiging van het gemis.
Overnieuw te moeten beginnen
alsof er niets is geweest en gebeurd
in het walgingwekkende besef
dat je hele leven is afgekeurd.
Spastisch trappend, hijgend, gillend
kreunend, zwoegend, meer dood dan moe,
probeerde ik me omhoog te hijsen
desnoods aan m'n haren, maar waar naar toe?

Opnieuw begonnen, keuzes gemaakt,
alle onzin uitgebraakt.
Geen nachtmerrie komt me meer dreigen.
Geen demonen zullen me krijgen.
Ik kies zelf, ik ken de weg.
Als ik 'm kwijtraak is dat domme pech
en valt mij niets te verwijten.
Ik sta bij niemand in het krijt en
en doe alles zoals ik dat wil.
Verantwoord of een gril,
ik leg de kiel
voor mijn ziel.
Dit is mijn leven.
Dit ben ik.
Ik

en twijfel is mijn vriendje

 
 
Thuis sterven kan ook
 
 
Hij ziet z’n vingers peziger worden
 
 
Hij ziet z'n vingers peziger worden.
Rimpels trekken door het vel.
Er vormen zich bruine plekken op zijn handen.
Planten sterven af, nieuwe worden neergezet.
Eén keer was hij aan een nieuwe gieter toe.
Kalenders komen en gaan,
kleurrijke, sombere in zwart-wit.
De een na de andere collega vertrekt,
soms met pensioen, vaak naar een andere baan.
Z'n creativiteit neemt af.
Rroutine neemt het over.
Even bespeurt hij een scheut van jicht.
Slechts één ding bleef hetzelfde:
het uitzicht op een muur.
 
 
Wat is moed
 
 
Wat is moed
ls de vijand ver weg is
en de zon schijnt op jouw hoofd?
Zelfs oorlog lijkt een sprookje,
maar wat maakt het uit
als alle lichten zijn gedoofd?
 
 
Is angst een stil protest van het lichaam
 
 
Is angst een stil protest van het lichaam?
Is denken voor sommigen in strijd met hun metabolisme?
Het is zo makkelijk
te zeggen dat moed vereist is,
te zeggen dat ze de straat op moeten gaan,
de strijd aan moeten binden.
Ga d'r maar aan staan.
Vergeleken met de echte problemen
zijn die van ons luxe,
pure luxe, niets meer.
Zag u de pijn, het verdriet, de ellende?
Allende, Allende.
Waar begon mijn kruis ook alweer?
Was ik twaalf, dertien?
Niet huilen, jongen.
Jongens huilen niet.
 
 
Denken: bron van ergernis
 
 
Denken: bron van ergernis,
't is altijd mis, 't is altijd mis.
Denken: bron van ergernis,
't is kattepis, 't is kattepis.
Spreken: bron van ergernis,
't is slechts vernis, 't is slechts vernis.
Spreken: bron van ergernis,
gekissebis, gekissebis.
Doen: bron van ergernis,
lang niet fris, lang niet fris.
Doen: bron van ergernis,
dodennis, dodennis.

Ik denk dus ik besta.
Ik spreek, dus ik praat na.
Ik doe en ik verga.

 
 
Rijen met tanks
 
 
Rijen met tanks.
De straten vol mensen.
Wat kunnen ze wensen
in het licht van de dag?
Van oude mensen en dingen die voorbijgaan.
Er is geen weg terug.
Waarom dan toch een poging?
Verlangen naar verloren jeugd,
naar verloren macht en privileges.
Donder op, ik wil het niet.
Waarom is mijn pen niet machtig?
Waarom, met harde hand.
Het rode leger, rood van bloed.
Wat is moed?
 
 
Twee kinderen dagen de zee uit
 
 
Twee kinderen dagen de zee uit.
Ik weet wie er gaat winnen.
Ze zeedijk laat vooralsnog
de zee niet binnen.
Over honderd jaar misschien,
bij windkracht twaalf, of zelfs tien,
als de zeespiegel is gerezen,
maar dan zal ik hier niet meer wezen.
Dan leef ik vast niet meer.
Die kinderen misschien nog wel,
maar die zijn dan een oude heer.
De zee blijft jong en fel.
 
 
Het is heel helder op de Zeedijk
 
 
Het is heel helder op de Zeedijk.
Je kunt Knokke zien.
De flats en de havenkranen.
Het is windkracht tien.
Een zandbank wordt geteisterd
door golven, wit van ’t schuim.
Een kalende voorbijganger ziet
het asfalt, kaler dan zijn kruin.
Ik zie zelfs een zeilboot
in de verte, wat doet die daar,
ontzettend ver de zee op,
spelend met gevaar?

En ondertussen loopt mijn neus
en draag ik water naar de zee.
De zeedijk was mijn keus
en ik nam niemand mee.

 
 
Wat is betrokken zijn
 
 
Wat is betrokken zijn,
als de enige tanks die je ooit zag
op de t.v. voorbij reden?
Wat is solidariteit,
als het enige lijk dat je ooit zag
dat van je oma was, natuurlijk gestorven.
Wat is een offer,
als je genoeg overhoudt
om zeven zonden te begaan?
Wat is verdriet,
als je enige tranen
voor de kapotte fiets waren?
Wat is de waarde van dit gedicht,
als de letters geen macht hebben
en de woorden geen zin?
 
 
Als ik thuiskom
 
 
Als ik thuiskom
wacht mij
een veilige haven voor mijn
vermoeide en getormenteerde geest.
Als ik thuiskom
wachten mij
strelende vingers die altijd
een weldaad voor mijn gespannen slapen zijn geweest.
Als ik thuiskom
wacht begrip en zijn er zachte woorden
waardoor het beest in mij geneest.
Als ik thuiskom
wacht mij liefde
en die grote liefde ontroert mij nog het meest.

Want zijn het niet de wilgen die hun
takken verkoeling laten zoeken in
het rimpelloze water?

Als ik thuiskom
doe ik dat
onbevangen en onbevreesd.

 
 
Zeven dode muizen
 
 
Zeven dode muizen
knagen aan mijn geheugen
om te vergeten
en niet meer te weten.
Ogen als sluizen,
omdat de wereld nooit zal deugen.
Ik wil niet weten,
maar vergeten,
maar ik weet, ik zie, ik denk.
Mijn ogen prikken,
maar ik huil niet.
Ik ben bang dat, als ik huil,
het nooit meer goed komt.
Daarom wil ik vergeten
en niet meer weten,
maar ik weet, ik zie, ik denk...
 
 
Wie gaat me zeggen waar het leven lacht
 
 
Wie gaat me zeggen waar het leven lacht
en zorgeloos en zonnig aan mij voorbij trekt?
Wie zal op me wachten aan het einde van de nacht
als iedereen op mij uit is en het leven mij nekt?
Praalscheet is schraalhans, Gorbatsjov ik huil.
Dde wereld draait door na de zoveelste buil.
Wie vraagt het paard van Troje binnen?
Wie zal zich nog eens bezinnen?
Van prehistorie tot werkelijkheid.
Uw dag is om, geen tijd voor tijd,
schijnheiligheid en lof der zotheid.
Geen parel, kleinood, snuisterij, blijheid.
Slechts wanhoop, doelloosheid, zwaarmoedigheid,
berusting zonder vrijheid, denken zonder tijd.
Gorbatsjov, baken voor velen.
Toch stranden er schepen.
Ik huil om uw val en beween uw volk.
 
 
De linkerbovenhoek laat een schaduw
 
 
De linkerbovenhoek laat een schaduw
vallen op het oude, gerimpelde gezicht
als een klamme donkere deken.
Hij zit in een uithoek,
waarschijnlijk Leningrad.
Waarom, hij weet het niet.
Het lot moet hem hebben gedreven.
vanwaar hij kwam.
De bomen druipen.
Het lichaam botst op de wortels
en hangt scheef tegen de boom.
'Papa, mag ik nu naar huis'
fluistert hij en sterft.
Het leven is niet altijd vrolijk
voor degenen die dat willen zijn.
 
 
Haatrecht
 
 
Een man kwam op me afgelopen
 
 
Een man kwam op me afgelopen.
Zijn haar was zwart, net als zijn huid.
Hij zei: ‘Is het nu eindelijk eens afgelopen!
Het antwoord van mijn volk luidt:

Als de zon de grenzen overschrijdt
wordt hij ook niet door de krijgers neergeschoten.’

Hij draaide zich om en verdween door een muur.
Ik zocht in mijn ziel naar wie hij was,
haalde mijn schouders op en na een uur
verborg ik mijn hoofd onder lagen, lagen as.

 
 
Humor, meneer, humor
 
 
Atropos’ laatste wens
 
 
Atropos’ laatste wens:
dat men na lange tijden
eindelijk de mens
en al haar draden zal doorsnijden.
 
 
Die morgen was een peuk
 
 
Die morgen was een peuk
in een asbak met een deuk.
 
 
Ik ben een muskusratbestrijder
 
 
Ik ben een muskusratbestrijder
en bestrijd hele dagen mus
en mocht u het nog niet weten,
het is een hele klus.
Van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat
werk ik met klem of lus,
soms met list zoals muskaat,
wat elke rat graag lust.
Ik ben een muskusratbestrijder
en bestrijd hele dagen mus.
Ik vang geen hond en kwets geen kat,
ik vang slechts muskusrat.
 
 
Ik ben briljant
 
 
Ik ben briljant
zei een haarstukje uit de Zaan.
Zonder verstand,
wreef hem een scheerkwast aan.
Nee, sprak het haarstuk met een zucht,
want iedere dag - en dat is geen klucht -
smeert mijn baas, een hele kiene,
mij vol met briljantine.
 
 
Krabbendijke
 
 
Krabbedijke,
Kruiningen,
Goes:
ik maak het mee als in een roes,
maar ik hoed mij voor vergissingen;
ik stap echt uit voor Vlissingen.

De jaknikker

Ik dacht, 'k probeer 't nog een keer.
Het zal toch moeten lukken,
maar voordat ik echt op kon staan,
moest ik me alweer bukken.

 
 
Tussen Rotterdam en Roosendaal
 
 
Tussen Rotterdam en Roosendaal
is een fabriek van negerzoenen.
Daar kun je je in deze tijd
toch niet meer op beroemen?
Of is het net zoiets als blanke vla
en de blanke top der duinen
en wie zegt er iets van rode wijn
of zwartwerken in Juinen?
Toch liggen negerzoenen anders,
want hun oorsprong is niet kies.
Afgezien daarvan
zijn negerzoenen vies.
 
 
De spin Komdrin
 
 
De spin Komdrin
wilde er niet in.
Hij wilde er uit,
maar hij was geen spuit.
Hij was een spin.
De spin Komdrin
en niet Komdruit
dus mocht hij er niet uit,
maar moest hij er in,
de spin Komdrin.
 
 
Broccoli, broccoli
 
 
Broccoli, broccoli,
bloemkool in het groen;
welk sausje zal ik
dáár nu weer op doen?
 
 
Ik zal moeten roeren zei het ei
 
 
Ik zal mij roeren zei het ei.
Gij zult mij moeten dogen.
Maar eenmaal de kluts kwijt kreeg ook hij
een brevet van onvermogen.
 
 
Een elastiekje aan mijn oor
 
 
Een elastiekje aan mijn oor
bracht mij de blues binnen gehoor.
Het dziemde en ik tokkelde.
Het was voorwaar geen straf.
Daar achter mijn bureau brokkelde
de narigheid van mij af.
 
 
Boogie
 
 
Kraaiend komt ze op me af
 
 
Kraaiend komt ze op me af.
Is het voor mij of voor het eten?
Mijn weggaan is voor haar een straf,
alsof ik dat niet zou weten.
 
 
Ze krult zich op
 
 
Ze krult zich op,
denkt niet aan mij.
Waarom zou ze?
Het is haar leven,
niet het mijne.
Ze schrikt even op.
Ik verplaats wat,
luister half naar muziek,
intens, krachtig, mooi,
verlies de fijne motoriek
en laat me gaan.
Weet zij veel?
Hersenbelletjes,
soms veel, soms weinig.
Heerlijk, prachtvol.
Ze doet niet echt mee.
Ze slaapt, kattendromen, poezenslaap.
 
 
Ze weet dat ik het niet leuk vind
 
 
Ze weet dat ik het niet leuk vind.
Daarom kijkt ze verschrikt
en dat zorgt er dan weer voor
dat ze bijna in die vlinder stikt.
Naar adem happend
rent ze van struik tot struik,
totdat ze bijna kokhalzend
zelf zorgt voor vlinders in haar buik.
 
 
Ze zit boven op de wereldgeschiedenis
 
 
Ze zit boven op de wereldgeschiedenis,
maar het kan haar niets schelen,
ook al bestaat de reeks
uit zesentwintig delen.
Ze krabt achter een oor op Tuckman,
likt haar gat op Gerlof Verweij,
blaast tegen Herodotus
en trapt de Bijbel uit de rij.
En als ik voorzichtig, als ze bij me zit,
over de waarde begin
en over wat de geschiedenis ons kan leren,
antwoordt ze met gespin
en trekt haar nagels door mijn kleren.
Dan klautert ze weer naar 'De trotse toren'
en wil van geen protest meer horen.
 
 
Soms denk ik dat ze me kent
 
 
Soms denk ik dat ze me kent,
maar dat kan natuurlijk niet.
Toch geeft het een onbehagelijk gevoel.
Ik geef mezelf niet graag bloot,
kijk liever eerst de kat uit de boom,
ook al heeft dat niet veel zin
als ze op tafel zit.
 
 
Lief en zacht
 
 
Lief en zacht
met een bonte vacht
en dan ineens fel
met nagels in mijn vel.

Klein dotje poes.
Gemurmel en geroezemoes.
Blaas toch niet zo hees,
klein dotje poezenbeest.
Ogen, donker als meren bij nacht,
lief en zacht.
Wees jij maar ineens fel,
met nagels in mijn vel.
Wees altijd bonte vacht
poezenpracht en poezenkracht.

 
 
Klein dier
 
 
Klein dier.
Geeft mij plezier.
Dat is alles wat ik nodig heb.
Daarvoor is ze voorbeschikt
en raak ik verliefd verstrikt
in haar poezeweb.
 
 
Zij klaagt me aan
 
 
Zij klaagt mij aan.
Het schrijnend leed geuit in klagerige klanken,
met nagels over planken,
waar dan de hars uit spuit.
Ik weet het, voel het aan,
dit onmogelijk verlangen.
Ik ken en koester het.
Elegie, de regel van de wet,
in ons huis gehangen.
Ze laat haar maaltijd staan
en klaagt mij aan:
'desnoods in partjes
maar geef mij kippenhartjes'.
 
 
Het slappe koord
 
 
Het is werk, maar ik ben moe
 
 
Het is werk, maar ik ben moe.
Doorgaan, schrijven, denken, dromen.
Al verstaat de realiteit het lied,
het verhaal, het schilderij
en leeft slechts van de razernij
die uit werkelijkheid ontstaat;
het ontslaat mij niet
van verantwoordelijkheid,
al zit die slechts in mijn hoofd.
 
 
Soms denk ik even
 
 
Soms denk ik even:
waar doe ik het allemaal voor?
Maar dat is gelukkig maar even,
want dan ga ik weer door.
 
 
Traag glijdt de dag voorbij
 
 
Traag glijdt de dag voorbij
als een bok door het kanaal.
Wat is het doel, wat is de zin,
waarvoor doe je het allemaal?
Er moet toch nog iets anders zijn
dan dat wat je nu doet?
Iets waardoor je 's avonds zegt:
hé, m'n dag was goed.
Maar je zit aan je bureau
en droomt over de verten.
Je mist wat en het voelt aan
als erwtensoep zonder erwten.
 
 
Het gaat met vlagen, ik weet het
 
 
Het gaat met vlagen, ik weet het,
net als met mijn muziek.
Soms heb ik in een bepaalde tijd
alles gezegd, gezongen en geschreven
wat er leefde in mijn ziel.

Dan komt de tijd van berusting,
bezinning en kritiek
en voer ik niet een echte strijd.
Een 'writers block' behoef ik niet te vrezen
in mijn leven is dit 'the deal'.

 
 
Wat
 
 
Wat
als dit leven slechts een tussenstap is,
van toen naar straks,
van verleden naar toekomst
en ik slechts een passant ben,
een toeschouwer?

Wat
als dit leven me gewoon overkomt
en, hoe ik ook worstel en trap,
het toch uitkomt op een plan,
vooropgesteld door anderen,
waarvan ik onwetend ben
en onbewust afhankelijk?

Wat
als dit leven een doel heeft
wat ik niet ken
en ik dus zomaar raak leef,
als los zand,
heen en weer geslingerd door een tij,
waarvan ik de oorsprong niet ken,
evenmin als de beweging,
voor of achteruit?

En wat
als dit leven alles is wat er is
en er niets voor was en niets op volgt,
zomaar een moment
in de oneindigheid van levens?

Ja, wat dan?
Snap ik er dan wél iets van?

 
 
Eenzaamheid
 
 
Eenzaamheid,
besef van tijd, van eeuwigheid
en tijdelijkheid, van verloren zijn
en twijfel, heel veel twijfel,

van onbenoembare zaken.
Niet vast kunnen houden wat als
gevoel in tienden van seconden
door mijn hersens raast,
van angst voor: ze zullen komen,
ze gaan me pijn doen en ik zal
gek worden en rare dingen doen.
M'n broek zakt af midden op de markt
en als ik hem op wil trekken
is hij verdwenen.
Naakt zoek ik beschutting
en nergens is een
veilige haven.
Een hol vol spinnen, slangen,
ratten, wormen.
Ze raken me aan, maar nooit
is het m’n dood;
slechts de angst tijdens
het leven.

 
 
Hier zit ik
 
 
Hier zit ik.
M'n hoofd niet meer helemaal helder.
De koptelefoon op.
Zo is het leven.
Zo was het mij beloofd.
Zo zag ik het in beelden
en voelde ik het gevoel:
warm, krachtig,
met een hang naar blues.
Who cares, baby,
it's life and life only.
I've only got one to lose.
Heerlijk loom.
Rillingen over m’n rug.
Ik moet verder, ik wil ook verder,
want dat is leven:
er is geen weg terug.
 
 
Ik wil in de wereld staan
 
 
Ik wil in de wereld staan
en toch trek ik me er regelmatig,
zo niet doorlopend, uit terug,
alsof ik bang ben
voor mogelijke gevolgen
als ik me er met kop en kont instort.
 
 
Ik beging geen zonde
 
 
Ik beging geen zonde,
maar de dag werd bruin.
Ik had het bij het rechte eind,
maar men leidde mij om de tuin.
Nu vechten zeven zonden in mijn hoofd
om te mogen worden losgelaten,
maar ik moet sterk zijn en er boven staan;
het heeft geen zin om hen te haten.
Maar ik wil ook niet behoren tot de stilzwijgende meerderheid
die lijdt omdat enkelen hen vermoorden.
Wwaar haal ik de kracht vandaan
om te vechten tegen al die witte boorden?

Geef mij verf en penselen.
Ik verf hun witte boorden zwart,
want dat is wat ze zijn en ze verdienen
en geef ze dan een hart.

 
 
Hoe gevaarlijk is het om
 
 
Hoe gevaarlijk is het om
dicht bij jezelf te komen - nee -
hoe gevaarlijk is het om
steeds dichter bij jezelf te komen?
Noodgedwongen schep ik een afstand,
breng ik een kloof aan, drijf ik een spalt.
Doe ik dat niet, dan verval ik tot flarden
en van flarden tot één brok somber gepeins.
Soms geef ik me daar aan over,
bewust, om ervan te leren.
Om dan, als herboren, weer verder te gaan.
Ik ken mijn eigen zwakte, tenminste,
ik denk die te kennen,
maar hoe gevaarlijk is het om
daar steeds dichter bij te komen - of -
sta je juist sterk als je die zwakte kent
en er naar handelt?
 
 
Overkomen, ondergaan
 
 
Overkomen, ondergaan:
beide lijdend, sterk tegenstrijdend.
Toch blijf ik staan.
 
 
Je werd high en rather heavy
 
 
Je werd high en rather heavy
van een Cabalero-filter,
dronken van dat Buckler-bier
en iedereen vroeg wie gilt er,
toen je bovenop een voetbalspel
de banjo wilde dansen.
En blijkbaar begrijp je 't nog steeds niets
van die ongelijke kansen.

Je steeg op je fiets
en viel er weer af.
Na het bonken op de harde stenen
brulde je: god, is dit mijn straf,
maar niemand lachte.
Je wilde bij een meisje voelen,
maar het bleek je ome Jan
die zich had verkleed als Sinterklaas
en riep: ja, dat komt er dan ook van,
als je niet kan wachten.
En op hetzelfde voetbalspel
wilde je de balalaika dansen.
En nog steeds begrijp je 't niet
van die ongelijke kansen.

 
 
Aan de kinderen van de nacht
 
 
Dat boekje, dat soort verhalen
 
 
Dat boekje, dit soort verhalen,
zijn in staat mijn ziel te raken.
Ik zou me mee kunnen laten sleuren,
maar mijn weerstand is te groot.
Soms komen ze me halen,
maar ik weet echt niet waarvoor.
Ik heb ook iets met deuren, maar
ik hoef niet zonodig dood.
 
 
Dat boekje van Walter Nelissen
 
 
Dat boekje van Walter Nelissen
over Jotie t'Hooft.
Ik heb het in één keer gelezen
en ik heb ’t geloofd.
Ik herkende veel van mij
tot aan de fatale stap,
maar ik deed een stapje terug.
Het leven was mij nog te knap.
Maar dat doodsverlangen,
die vlucht uit de eenzaamheid…
M'n leven is ermee omhangen
en ik neem het mee tot aan mijn tijd.
 
 
Je moet hem hebben horen aankomen
 
 
Je moet hem hebben horen aankomen.
Je moet hebben geweten wat je deed.
Je moet de moed hebben gevonden
toen je je er voorgooide terwijl hij reed.
Wat ging er door je heen?
Wat verwachtte je van de dood?
Wat ontzegde het leven je?
Waarom die nood?
Ik weet het, er zijn nog muren,
er zijn nog drempels en torens,
te weinig engeltjes en te veel horens.
Voor jou kon het niet langer duren.
Je gaf je over, je liet je gaan,
met een brok in je keel, een laatste zucht,
een laatste moment van paniek,
de sprong en de even later stilstaande
trein langs een grauwe, winterse baan...
 
 
Er zijn mensen die je
 
 
Er zijn mensen die je
als je je even kwetsbaar opstelt
afmaken:
oh, gruwel!
Er zijn mensen die je
als je je even kwetsbaar opstelt
minzaam toeknikken en verder
nooit meer aandacht aan je besteden:
hwllllllghhhh!
Er zijn mensen die je
als je je even kwetsbaar opstelt
geestelijk omarmen
en dan is het leven even goed.
 
 
Grootpapa was theosoof
 
 
Grootpapa was theosoof.
Dat zet me aan het denken.
Hij was wit en geenszins zwart,
wilde geen mensen krenken.
Hij geloofde in theosofie
en in terugkerende profeten.
Het houdt me wel eens bezig,
maar ik ben niet echt bezeten.
Hij kon zijn wil opdringen
aan mensen, groot van faam.
Ik zou soms wel willen
dat hij dat had gedaan.
Hij deed het niet, met het besef
dat echte lef
niet komt uit valse harten,
maar uit reine.
En dat is het fijne
van mijn grootpapa.
 
 
Hoe kwam jij dit leven binnen
 
 
Hoe kwam jij dit leven binnen?
Opgewekt en blij van zinnen,
met een vraagteken op je hoofd?
Wist je hoe je moest beginnen,
tussen het katoen en linnen
voor je onschuld werd geroofd?

Hoe heb jij je jeugd ervaren?
Als het zitten op de blaren
en het schuilen in een schelp,
als dat bootje uit Zuidlaren
voort geroeid over de baren
met aan boord een angstig welp?

Hoe heb jij je jeugd verlaten?
Vol met onrust en met haten
en fantaseren over fijn,
over optredens en platen
en worden binnengelaten
in de liefde, zonder pijn?

Hoe heb jij afscheid genomen?
Hoeveel is er jouw ontnomen?
Hhoe lang was je op de vlucht?
Hhoe vaak zag je in je dromen
van al die omgewaaide bomen
het bos niet en zocht je de lucht?

Wat kwam je allemaal tegen?
Was het als met de regen:
eerst een druppel, dan een plens?
Wie kwam je allemaal tegen?
Van wie wilde je de zegen?
Wanneer voelde je je mens?

Hoe ga je nu opnieuw van start?
Opgewekt en blij van hart,
maar ook voorzichtig en gereserveerd,
omdat je de waarde kent van smart?

Liefste, liefste, schreeuw keihard:
wegens succes geprolongeerd!

 
 
Ze kijkt naar mij alsof ik er niet ben
 
 
Ze kijkt naar mij alsof ik er niet ben
en haar stem
doet duizend wonden schrijnen.
Ik krijg geen vat op haar en zij
niet op mij.
Ze zal verdwijnen.
Zodra ik mijn ogen open doe
slaat zij ze toe.
Het zijn maar dromen,
maar ik vraag me af waarom en hoe
- ik ben zo moe -
het zo ver heeft kunnen komen?
 
 
Ze kijkt me aan
 
 
Ze kijkt me aan
en glijdt mijn ziel binnen
met het grootste gemak.
Ik laat haar toe.
Ze is als balsem voor mijn wonden,
als koninklijk gebak,
als fris linnen
na een vermoeiende dag;
gezonden
als oorzaak voor mijn lach.
 
 
Ze liep een eindje met ons mee
 
Ze liep een eindje met ons mee.
Niet dat ze met ons sprak,
maar samen luisteren naar de zee
stelde haar op haar gemak.

Het donkere haar in een vlecht gewrongen.
Ogen die het zwart hadden bedwongen.
Het beukend geweld van de schuimende koppen.
De gillende meeuwen als grote enveloppen.
De handen diep in de zakken gestoken.
Het hangende hoofd tussen de schouders gedoken.

Zo stond ze naast ons bij 'zimmer frei',
tussen bamboestokken, op een rij.
Orgel voor de wind, de gesel van zee.
Ze luisterde naar hun woorden en ze
namen haar met zich mee.

 
 
Sárika Góth overleden, 92 jaar
 
 
Sárika Góth overleden, 92 jaar.
Een kleine, broze vrouw, op een
foto van Wim Riemens.
Daarnaast, een meisje dat
de nieuwe badmode showt.
Ze straalt kracht uit, met de
wilde frisheid van limoenen.

Twee vrouwen, twee tijden,
twee levens, twee meiden.

Het komt, het gaat, het
komt, het gaat, als het ritme
van eb en vloed, als het draaien
van de aarde,
van de aarde,
van de aarde.

Het is een kringloop.
Dat besef je aan een graf.
Iets is nooit af,
soms reeds gezien.
Gedenk Sárika Góth
en tante Christine.

 
 
Gekooide woorden
 
 
Er valt een woord uit de lucht
 
 
Er valt een woord uit de lucht.
Ik vang het op.
Anderen willen het ook hebben,
maar ik geef het niet.
Het is mijn woord geworden.
De trotse eigenaar van een woord.
Ik koester het en slaap er zelfs naast,
laat het aan mij wennen.
Pas dan gebruik ik het
en alles wordt anders.
Ik geef het woord aan velen,
maar het blijft van mij.
Ik heb het gevangen
en heb daarmee macht verworven.
Slechts op mijn bevel gaat het woord uit.
Maar ik ben een aardige dictator.
Ik deel mijn woord met het volk,
maar het blijft mijn woord,
gevangen in een gouden kooitje
waarvan alleen ik de sleutel heb.
 
 
Ik pak de woorden op
 
 
Ik pak de woorden op,
gooi ze hoog in de lucht
en vang ze weer in mijn handen.
Ik draai ze om en om,
zoek de kleuren, proef de geuren
en bijt erin met mijn tanden.
Ze blijven hetzelfde,
veranderen niet,
waar ik ze ook zet
en hoe ik ze ook schrijf.
En toch, en toch,
ze zijn niet hetzelfde,
vormen steeds weer een ander lied,
liggen steeds in een ander bed
en woelen en tieren in mijn lijf.
Ja toch, ja toch,
ze zijn nooit dezelfde...
 
 
Ik probeer woorden te vangen
 
 
Ik probeer woorden te vangen
om me af te leiden,
om ze opnieuw te schikken
tot een wereld die
niet in verhouding
staat tot de mijne.
Ik vang ze tussen lijnen
en zorg soms voor verwarring,
leg mezelf over de knie
of sta tegen mezelf te knikken.
Wie komt me bevrijden
wanneer ik ben gevangen?
 
 
Morgen zal het beter gaan
 
 
Ik zag de zee
 
 
Ik zag de zee:
een kind speelde in de branding,
een parasol werd gevangen door de wind,
een dikke dame was hopeloos verbrand.

Ik zag de zee:
een amphibieruïne restte van de landing,
een vlieger vloog hoog aan een lint,
een tiener strooide met wat zand.

Ik zag de zee:
een duinval zorgde voor verzanding,
een kotje kraakte in 't gebint'
een kleine hand zocht en vond mijn hand.

Ik zag de zee:
zoals ik daar vroeger zelf speelde,
ik zag de handen die mij streelden
en langzaam maar zeker de wonden heelden.

Ik zag de zee:
mijn kind vroeg: ‘kom je zwemmen’?,
mijn gevoel doorbrak de remmen,
gevoel dat ik al zo lang had moeten temmen.

Ik zag de zee
en ging mee.
‘Kom, dan gaan we de zee omduwen’.
‘Dat kan niet, pap ... of misschien toch wel…’
‘Jawel, als je het maar samen doet,
dan is het een heel leuk spel’.
‘Ja, pap, wie er 't laatst in is, is een kwal’.

Ik zag de zee
en stak van wal.

 
 
Over hoe diep de wereld daalt
 
 
Over hoe diep de wereld daalt
naar Hades' duistere krochten
en niet het eind der tijden haalt -
het paradijs moeizaam bevochten -
handelt de elegie der werkelijkheid.

Teruggeworpen op basisvoorwaarden,
gevoed, gekleed, gehuistvest worden
tussen wild oplaaiende onrusthaarden
waar primitieven wapens omgorden,
niet vatbaar voor een nieuwe tijd.

Hoopvol bazuingeschal verstomt de oren.
Voor wie 't wil horen is er nog tijd.
Als straks de hele wereld is geschoren
rest nog slechts de barbarij
en een nieuwe start door geen benijdt.

 
 
Grote koppen schuimend wit
 
 
Grote koppen schuimend wit.
Een kind speelt langs de branding.
Een roestig stuk metaal
herinnert aan een landing.
Een rammelend gebit
van uitgebeten palen,
doet verslag van jaren
en geeft beeldende verhalen.
De zee rukt op en spoelt het strand
schoon, wat rest zijn smalle stroken,
waar mensen, krap opeengedrukt
in dekens zijn gedoken.
Verlangend knagen de golven
aan de duinen, op zoek naar meer.
Uitgehongerde wolven
tergen de gebelgde beer.
Ik zie toe en voel de macht.
Mijn handen vouwen zich tot vuisten.
Mijn kind lacht en weet het al
en slaat de zee terug met haar kleine knuisten.
 
 
Ik ben een vogel zonder veren
 
 
Ik ben een vogel zonder veren.
Ik ben een vogel zonder vleugels.
De wind wil mij niet dragen
en de aarde is te koud.

Ik voel dat ik meer in me heb,
maar ik kan mijn krachten niet verdelen
en zoals bij zo velen:
nog even en ik ben oud.
Te oud voor wat ik wil.
De kansen zijn verkeken,
gereduceerd de mogelijkheden.
Talent verloren, welbeschouwd.
Ik wilde hoger vliegen
dan de hoogste wolk,
maar kwam nooit verder
dan die zwarte kolk.

 
 
Dicht bij het vuur
 
 
Dicht bij het vuur
komen de gedachten.
Ik hoef alleen maar te wachten.
 
 
Zorgeloos
 
 
Zorgeloos,
zoals de dagen lengen
en de zuidenwind heerst.
De appels vallen van de dennen
en het jonge spul leert
wat groeit van binnen
en komt naar buiten
in een zachte voorjaarsnacht.
Wat is beschreven en bezongen
en raakt de eerste spreeuwenjacht.
Kom, lentekind
en spreid je vleugels,
durf te leven, word een mens.
Wees jezelf en erboven verheven
bezie de wereld door je eigen lens.

Machteloos
is de keerzijde van de macht,
geworteld in een diepe angst
voor onbekend maakt onbemind.
Troosteloze, zwarte grotten,
waar nachtmerries huizen en zelfbedrog,
hovaardij en slaafse vrede,
kleine pijntjes, bakerpraat,
burgerwijsheid, het slome denken,
eindigend in overgave
aan wat hoort, wat is, wat moet
of leidend tot de lotsconclusie
al wat was is zwaar beroet.

Pijnloos
kan geen mens ooit leven,
worstelen is aards besef
voor vergankelijkheid, slechts even
zijn wij hier. Met lef
moet gestreden worden.
Er vallen doden, geen blijft staan.
Los van alle bestaande wetten
vol met wijsheid
naar een volgend leven gaan,
opdat het nut van en de noodzaak
om te leven duidelijk is
en niet aan het eind ervan
gezegd wordt dat het vol zat met gemis.

Hopeloos
mag geen mens ooit wezen.
Zonder hoop mag geen mens ooit zijn.
In dit besef te moeten leven
is voorbij de grens van pijn.
Luister, luister en vergelijk:
gevoelens, weten, denken,
keuzes maken, wijs en rijk;
dat te mogen schenken
geeft me kracht, maakt me een dijk.

 
 
Een perron in de zon
 
 

Een perron in de zon.
Een blauwe lucht.
Het wollige land.
Een welbestede dag.
De wind in mijn haar.
Een populier steekt fier
de lange takken omhoog.
De tegels zijn grijs.
De rails is bruin.
Een paal van beton.
De draad slaakt een zucht
en zindert in mijn tand.
Ik lach
en voel me daar
bevrijd en vol van bier.
Ik sta niet droog,
maar voel me wijs.
De wereld is mijn tuin

en ik mag vrijelijk spelen.

 
 
Hier zit ik, opgesloten in mijn kamer
 
 
Hier zit ik, opgesloten in mijn kamer,
terwijl mijn hoofd elders vertoeft.
Ik wil dit niet; dit is geen leven.
Dit is niet wat mijn ziel behoeft.

Murmelend water.
Stemmen in de stroom.
Schimmen in het donker.
Beelden in een droom.

Hier zit ik, kan ik anders?
Word ik ooit mijn levensspil
of blijf ik doelloos dobberen,
omdat ik niet weet wat ik wil?

 
 
Zijn het niet de wilgen die verkoeling
 
 
Zijn het niet de wilgen die verkoeling
zoeken in het rimpelloze water?

Zijn het niet de poezen die,
nat van het geil,
op zoek zijn naar een kater?

Zijn het niet de nymphen,
puur en rein,
die verleid worden door een sater?

En is het niet de melancholieke maan,
altijd op weg naar later?

Zijn het niet allemaal beelden en dromen
die ik ken en die ik doorvoel,
zuigend en trekkend,
mij met een deken toedekkend,
nauwsluitend, als bescherming
voor mijn innerlijk chaotisch,
verward, niet gestructureerd,
associatief, emotioneel en hartverscheurend,
hersenknippend, soms kortsluiting gevend,
overgevoelig gejoel?

 
 
En niets
 
 
En niets
herinnert nog aan die dag.
Niets, of het moet zijn
die droeve lach,
gevangen in het verlangen
naar de vrijheid,
maar in onverhuld cynisme,
hekelend en tergend,
de zogenaamde strijd
om een onbewogen geest
die in zó weinigen leeft
en slechts af en toe
de kop op steekt.
Verder is er niets
dat herinnert aan die dag
en die lach
zal niet mijn lippen krullen.
 
 
Een mooie dag
 
 
Een mooie dag,
een vogel, velden
vol met madeliefjes
tussen ’t gras,
je gulle lach,
je helden,
hun geriefjes,
hoe het was.

Wat je zag,
hun geld en
ook hun briefjes
die je las,
maar op een dag
niets meer te melden;
geen stiekeme piefjes
en pafjes meer tussen ’t vlas.

Een hard gelag
toen ze niet meer belden;
de malse biefjes
zijn en masse
vertrokken toen er eentje zag
dat je vervelde.
Als madeliefje
geeft dat geen pas.

Oud, gerimpeld en verlaten,
eenzaam hunkerend naar toen,
koester je die mooie dagen
die je niet kunt overdoen.
Ga maar slapen, vroeg naar bed toe,
doe het licht uit, droom maar zacht
van al die mooie, jonge mensen
van wie je zoveel had verwacht.

 
 
Reddingsvesten
 
 
Wees een herberg voor mijn ziel
 
 
Wees een herberg voor mijn ziel,
wees een anker voor mijn schip.
Anders dwaal ik. Houd me vast
en beschouw me niet als last.
 
 
Houd ze vast, mijn beide handen
 
 
Houd ze vast, mijn beide handen.
De put is diep, met slijmerige wanden.
Ik reik naar boven en zie de zon,
voel de wind haast langs mijn slapen,
ruik de lente van een nieuwe dag,

maar alles is herfst
en bederft

en onderdrukt zelfs mijn laatste lach,
zorgt voor vroegtijdig en nutteloos gapen
en is voor sombere overpeinzing een welkome bron.
De put is diep, met slijmerige wanden.
Houd ze vast, mijn beide handen.

Houd ze vast of ik keer niet om.

Prevelpreken

 
 
Over hoe het zou moeten zijn
 
 
Over hoe het zou moeten zijn
is al zo vreselijk veel geschreven,
is al zo vreselijk veel verteld,
zijn al miljoenen dood gebleven
of op andere wijze geveld.

Voor over hoe het zou moeten zijn
hebben moeders handen opgeheven
en zijn stil door de stad gegaan,
liepen ze te beven,
bang dat een soldaat zou slaan.

Over hoe het zou moeten zijn
heb ik boekenkasten vol gelezen
en was ik er soms bij
als mensen spraken over vrees en
hoe dat was: ik ben niet vrij.

Over hoe het zou moeten zijn
zit ik eenzaam in een kamer
te denken, ver van iedereen
en voel ik schaamte en tref blaam er
huist ook in mij geen edelsteen.

Voor over hoe het zou moeten zijn,
zijn er winkels, is er theater
kan je lachen met z'n allen
en ren je dan naar een psychiater
want van de wereld snap je de ballen.

Over hoe het zou moeten zijn
is al veel te veel geschreven,
is al veel te veel verteld
en komt het neer op het gegeven
dat het draait om macht en geld.

 
 
Waar ik misselijk van word
 
 
Waar ik misselijk van word:
plaatsvervangende trots of schaamte,

geritsel van dode woorden
uit een wegrottend geraamte,
ontkenning van het zelf,
de ziel als een gevangene,
verloren in de hel,
bungelend als een gehangene.

Wees trots op je schaamte
en schaam je voor je trots.
Wees zelf de spil van je leven
en kies niet voor zoiets zots.

 
 
Aan hen die ik mijn vertrouwen schenk
 
 
Aan hen die ik mijn vertrouwen schenk:
gedenk, alle dagen van uw leven
dat ik het heb gegeven.

Aan hen die mijn vertrouwen schonden:
gebonden bent u, door mijn dromen,
nimmer zult u mij ontkomen.

Ik draag de lust en last van het verleden mee.
Zee, met huizenhoge golven,
waaronder ik word bedolven.

Ik zie de toekomst en herken wat lijnen.
Mijnen, noem ik ze en wacht
tot alles is volbracht.

Ik ken geen grenzen.

 
   

terug naar overzicht
Klein leed
Zwarte dag, lichte nacht
In mijn donker uur
Dit eiland, mijn leven
Schijnvertoning
Klagenfurt
zintuiglijk geweld
De zeurende aanwezigheid van schijn
Madonna aan het Woord