Zwarte dag - lichte nacht (1994-1996)
 
 
Rollenspel
 

 
Niets
 
 
Niets
maar dan ook niets
laat ik merken.
Ik ben de sterke
en die ander niets.

Geen ooghaar trilt,
geen rimpel rilt,
geen zenuw gilt.
Niets laat ik merken.
Mij maken ze niets.

De arrogantie
tot kunst verheven.
Erudiet
bij het bestiale af.
Mij zien ze niet,
oh, nee,
mij zullen ze nooit zien.

Wie mij ziet
kent mij niet.
Ik ben de facade,
ik ben het masker,
ik ben de sterke.
Niemand zal het merken.
Niemand zal het merken.

 
 
Ik heb duizenden gezichten
 
 
Ik heb duizenden gezichten,
voor elke stemming één,
maar voor die van levensvreugde
heb ik er geen.
 
 
Alles is zwart en enkel ellende
 
 
Alles is zwart en enkel ellende.
Hoe dacht ik dat te kunnen vergeten?
Even leek het goed te gaan,
tot de wond werd opengereten.
Zó vers nog, zó lillend het vlees.
De hechtingen sprongen los.
Alles is zwart en enkel ellende
en dorre bladeren ruisen in het bos.
 
 
Ik zei
 
 
Ik zei:
mijn vriend verstaat de stilte,
hij kent rust.

Ik zei:
wie mij ziet, ziet kilte,
maar kent niet mijn lust.

Ik zei:
het is nacht wanneer ik ril, te
ver verwijderd is de kust.

Ik zei:
hoe zacht zijn je lippen, hoe mild de
zachte adem die mij sust.

Zij zei:
'jij bent het die ik wil', te
mooi dit leven dat mij kust.

 
 
Eén gil van een mishandeld schepsel
 
 
Eén gil van een mishandeld schepsel
had de schepping tot gevolg.
Hoe kunnen wij dan anders dan gillen?
Hoe kunnen wij zelfs maar iets anders willen?
Alles komt toch uit die gil?
Schreeuwend baren vrouwen baby's,
schreeuwend happen baby’s lucht,
schreeuwend gaan mensen door het leven
en schreeuwend is hun laatste zucht.
Van wieg tot graf heerst enkel lijden.
Slechts zeldzaam breekt een glimlach door.
Wat helpt wachten op betere tijden?
Alles, alles gaat teloor.
De groten van toen zijn nu skeletten,
kadavers, stof, door de wind verspreid.
Zo was het, is het en zal het wezen
tot in den eeuwigheid.
 
 
Ik speel een rol
 
 
Ik speel een rol,
speel vele rollen.
Wie mij ziet,
ziet mij niet.
Ik ben die ander
of ik ben deze.
Ik kan eigenlijk
iedereen wel wezen.
Ik kan eigenlijk
iedereen wel zijn.
Een kleine geruststelling
voor de dagelijkse dosis pijn.
 
 
Juist nu ze zo mooi is
 
 
Juist nu ze zo mooi is
als een rijpe vrouw maar kan zijn,
wijst ze mij af
en dompel ik mijn hoofd
in keukenazijn.

En als ik zeg hoe mooi ze is,
hoe ontzettend mooi ze is,
kijkt ze me aan
alsof ik van de poolster kom
of minstens van de maan.

 
 
Waartoe zijn wij hier op aard’
 
 
Waartoe zijn wij hier op aard'?
Slechts om leed te ontvangen
en wie vertelt dat leed loutert
mogen ze boven zoutzuur hangen
en langzaam laten zakken
tot geen haartje meer resteert
en pas dan zal ik het zeggen:
leven is leed tot je verteert.
Komt er daarna dan iets moois?
Niet dat ik weet, want daarover
ben ik niet goed geïnformeerd.
 
 
Juist nu ze zo mooi is
 
 
Juist nu ze zo mooi is
als een rijpe vrouw maar kan zijn
wijst ze mij af
en dat doet pijn.

Straks, over niet al te lange tijd
- in het besef van eeuwigheid -
wil ze me weer,
maar ben ik er dan nog
of al lang niet meer?

 
 
Geen dode zou mij erger schokken
 
 
Geen dode zou mij erger schokken,
geen geestverschijning uit een graf,
dan de ontkenning van wat ik dacht dat goed was.
Nu onderga ik broos mijn straf.
De hemel is niet uitgevonden
voor tobbers zoals ik.
Ik ken slechts de hel
waarin ik mij node schik.
Slechts wanneer ik denk te bloeien
en men mij met stokken slaat,
besef ik weer dat in goede tijden
de duivel slechts uit eten gaat.
Dat wetend, mijd ik optimisme,
omdat mij dat steeds verlaat
en zoek ik troost en erbarmen
in de armen van de zelfhaat.
 
 
Ik heb vrienden pijn gedaan
 
 
Ik heb vrienden pijn gedaan
door bij hen vandaan te gaan,
maar misschien denk ik dat alleen
als ik in somber gepeins verzonken
wandel door de regen.
Ze hielden mij tenslotte
ook niet tegen.
 
 
Somber is de grondtoon van mijn muziek
 
 
Somber is de grondtoon van mijn muziek,
zwaarmoedig de kern van mijn verzen.
Zo werp ik de zwartheid ver van mij
en ontloop ik de kritiek

van mensen die mij een zuchter noemen
en getergd langs de straat zien gaan,
het hoofd tussen de schouders verborgen
om de rotte plekken te verbloemen.

Zonder verzen of muziek
kan ik, wil ik niet,
heb ik geen verweer, repliek.

Laat me spelen, laat me dichten.
Zo heb je aan mij nog iets
en anders niets, kom, laat me lichten
of stap anders op je fiets.

 
 
Ruisend riet, met lange halmen
 
 
Ruisend riet met lange halmen
wuift mij toe als een gebed,
zou mij innerlijk moeten verkalmen
als een goed uitgevoerd ballet,
maar ik dwaal weer door de krochten
van mijn eigen zielspaleis,
waar menig smerige oorlog werd uitgevochten.
Wat rest zijn brokken puin, gekrijs,
ruw gebeitelde gedichten
flarden tekst, niet gepolijst.
Wie ze leest die weet het zeker:
hier wordt door de hel gereisd!
 
 
De meeste mensen die mij kennen
 
 
De meeste mensen die mij kennen,
kennen alleen de ruwe oppervlakte
van mijn binnenwereld;
de zeeën en continenten,
poolkappen en wolkenstromen.

Een niet zo'n grote groep
heb ik toegelaten tot een werelddeel.
Ze denken mij te kennen,
maar ik weet beter.
Ik kan ze nog alle hoeken en gaten laten zien
van de wereld die ik ben,
breng ze continue op een dwaalspoor,
laat ze gissen naar mijn wezen.

Mondjesmaat laat ik mensen in een land.
Ik heb er vele en speel met de bezoekers
als lijsters met een slak.

En dan de stedelijke agglomeraties.
Die zijn niet voor iedereen.
Degene die daar een bezoek brengt,
wordt door mij hoog ingeschat;
immers, hier naderen ze de kern,
soms angstig dicht, in mij.

Het centrum van de stad,
oud, getekend door de jaren,
is voor mijn allerbeste vriend.
Hier zijn het slechtste en het beste
van mij in mij vereend.

Maar niemand laat ik toe
in dat ene kleine steegje,
daar, bij die kroeg, rechts, om de hoek
Waar herfstdraden webben weven
en de kots hoog ligt opgetast.
Waar klinkers missen en damp
uit onzichtbare pijpen de lucht verpest.
Hier ben ik alleen
en alleen moet ik hier blijven.
Dit is de as waar mijn wereld om draait.
Hier bewaar ik mijn zwarte doos.

Toch, ik kom er niet te vaak.
Net vaak genoeg om hem niet te vergeten.
Net vaak genoeg om donders goed te weten,
dat die steeg soms mijn hele wereld was.

 
 
Ik hou er niet van
 
 
Ik hou er niet van
door bossen te dwalen,
maar soms is het nodig:
achter elke boom
liggen duizend verhalen.

Een zonderlinge tegenwoordigheid van geest

Een zonderlinge tegenwoordigheid van geest
moet het zijn geweest
die ervoor waakte
dat ik me zorgen maakte
om het beest
in mij.

Een tegenwoordigheid van een zonderlinge geest
moet het zijn geweest
die slaakte
een naakte
kreet; het beest
was vrij.

 
 
Het slappe koord
 
 
Papa, zegt het kind
 
 
Papa zegt het kind.
Het kind zegt papa.

Waar eens de boer zijn huisje stond
groeit nu een gele brem.
Onder de schaduw wel te verstaan
van een conifeer.
Hij redt het niet, hij redt het niet.
Ik ruk hem uit en gooi hem weg.
Tot bloei kwam hij te weinig.

Achter ons huis, waar eens de boer zijn huisje stond
groeide de gele brem.
Fundamenten vond ik daar.
De brem groeide niet diep.
Hij redde het niet, redde het niet.
Ik rooide hem en weg ermee.
Op steen groeit niet zo veel.

Nieuwsgierig naar dat fundament?
Nee, eerder wat vervelend,
maar ik breek het niet af.
De brem groeide daar,
maar kwam er weinig tot bloei.
Dat kwam door de conifeer
die ik nu heb gesnoeid.

Philo, de peinzende kabouter,
zat eerst in de schaduw,
de peins op zijn gezicht versteven.
Nu schijnt daar de zon,
maar komt ook meneer de wind
en die brengt wel eens regen mee.
Philo z'n boek wordt nat.
Ja, z'n broek ook,
maar dat vindt filo niet erg.
Kabouters zijn graag buiten.
Kijk je uit voor de zaag?

Papa, zegt het kind.
Het kind zegt papa.

 
 
Gedrongen, nee, gekrompen werkelijkheid
 
 
Gedrongen, nee, gekrompen werkelijkheid.
Nee, besloten, of... ingesloten,
beklemmende kleine werkelijkheid.
Verzuring?
Benauwende werkelijkheid.
Te kleine, benauwende werkelijkheid.
Ja, zoiets is het wel.

Het hoofd voelt smal.
Eng, in de betekenis van smal.
Hij heeft een eng hoofd.
U heeft een eng hoofd (Koot en Bie).
Nee, ik heb geen eng hoofd.
Jawel, dat heeft u wel,
in de betekenis van smal.
Dus een te kleine, benauwende werkelijkheid in een eng hoofd.

Vertroebeld, klinkt goed.
Een vertroebeld denken (denkraam; Toonder?)
Ondoorzichtig (Alt-F1: bestaat niet >>
troebel = drabbig, onhelder, onzuiver, maar ook
dof, duister, mat, wazig en
broeierig).
Een drabbig hoofd?
Drabbig is een lekker woord.
Dan een te kleine, benauwende werkelijkheid in een eng, drabbig hoofd.

De lach breekt door.
Ja, ja, de lach breekt door.

 
 
Het is amper herfst
 
 
Het is amper herfst
en de taal slaat toe.
Woorden vallen uit
en de gedichten worden schraal
als de pezige oostenwind
de stranden schraapt.
 
 
Het regent hondenkoppen
 
 
Het regent hondenkoppen.
De maan heeft een paarse gloed.
Groot is de glans van verleden woede
als schaamrood de bomen topt.

Schurft gedijt.
Allen drenzen.
Pijnlijk getroffen leed.
Goden slapen.

Knappende vingerkootjes.
Zuigende wanhoop.
Botten dorpels.
Drempelvrees.

 
 
Kwilnie
 
 
Pantha Rhei
 
 
Pantha rhei:
alles stroomt.

Hoe vreemd en bekeken,
dat nu alles samenvalt,
zich samenbalt,
zomaar, binnen drie weken.

Ik jureer in Pantha Rhei
op verzoek.
Ik speel in Pantha Rhei
op verzoek.
Ik lees de krant:
Ernst Jan Roozendaal,
Heraclites van Efeze,
Ben Sleeuwenhoek.

Bij Pantha Rhei
stroomt alles voorbij
aan Zimmer frei.

 
 
Anders bekeken
 
 
Hij bekeek alles anders.
Anders bekeken, zei hij,
is niets hetzelfde,
maar alles anders.
Dat ligt er maar aan hoe je het bekijkt, zei ik,
maar dat begreep hij niet.

Dat verschilt per individu.
Zij zei dat dat scheelde,
maar dat zei ik niet.
Ik zei alleen,
je doet het er niet even bij,
maar dat begreep ze niet.

Het geluid is te hard.
Ik wil kunnen praten.
Zij zei, overal is het hard.
Mensen willen dat.
Ik zei, ik ben een mens,
maar dat begreep ze niet.

 
 
Ik worstel met de tijd
 
 
Ik worstel met de tijd.
Dat de tijd zou worstelen met mij is onzin.
De tijd heeft geen besef.

Eigenlijk worstel ik ook niet met de tijd.
Ik worstel met mezelf
en geef de tijd de schuld.

Die gaat veel te snel.
Maar de tijd gaat niet.
De tijd is een constante,
of beter, die ís.

Of ík ben is nog maar de vraag.
Maar die ga ik niet beantwoorden.
Oh nee, ik ben niet gek!

 
 
Het regent blinde darmen
 
 
Het regent blinde darmen,
de hete avond zoekt naar zweet
en vindt die onder armen,
rijken ruiken naar after-eight
en god kent geen erbarmen.
 
 
Rénata
 
 
Nog ligt je lichaam
 
 
Nog ligt je lichaam
warm en zacht
te dromen aan slangen en buizen.
Het lichaam wil wel zegt de arts,
maar de hersens doen niet mee
en de tekenen zijn ongunstig.
Waarom dan toch die hoop
dat klampen aan een sprankje?

Ik wilde dat ik kracht had,
kracht om je te geven.
Ik wilde dat ik macht had,
je kon sommeren weer te leven,

maar ik ben maar een klein ventje.
Van mij moet je het niet hebben.
Geloof dan maar in die stenen.
Als jij daarin gelooft is ’t goed.

Wanneer de stroom wordt afgesloten
en het leven uit je glijdt,
ben jij het dan wel die afscheid neemt
of was je misschien al dood?

Nee, ik moet nog hopen,
optimistisch zijn.
Alleen al te denken dat je het niet haalt
is taboe, ik zeef de pijn.

Ik denk aan mensen die het wel haalden,
aan het clownspakje dat je voor de kleine maakte,
aan je lach als je vrolijk was en
aan je creatieve handen.

Kon ik je maar pressen.
Kon ik je maar redden,
maar ik kan niets.
Een liedje schrijven,
wat woorden op een rij;
het is niets
als je daarmee niet terug komt.

Laat het een slaap zijn
waaruit je wakker wordt
en dit een boze droom
waaruit we allemaal ontwaken
en weer samen zijn.

Wees sterk
en houd je vast aan dat kleine leven
in je schoot verborgen, veilig in jou.

Wees sterk, put kracht,
breek bergen, heb macht
slecht grenzen.

 
 
Kom terug!
 
 
In de verte
 
 
In de verte.
Ergens in de verte
schudt iemand een zak met wolken leeg.
Ik kan niet zien.
Ik kan niet zien wie het is.
Ik vroeg niet waarom ik kreeg.
De schroeiend hete wind,
maanbeschenen dodenkind.
Ik moet je laten gaan.
Cirkel nu maar in een baan
om die angstig vragende overblijvers heen.
Er is er hier geen een
die niet vroeg waarom hij kreeg.
Ze kunnen niet zien wie het is.
Ze kunnen niet zien.
Iemand schudt een zak met wolken leeg,
ergens in de verte.
In de verte.
Iemand schudt een zak met wolken leeg.
 
 
Net als je zoekt naar nieuwe woorden
 
 
Net als je zoekt naar nieuwe woorden
om boven kwel en kanker uit te stijgen
gaat er iemand dood.
Net als je denkt je verlost te weten
van ellende met een grote 'E'
klaagt iemand zijn nood.
Net als schuld wordt doorgestreept
uit het boekje met beladen woorden
roept iemand god is groot.
 
 
Houdt het dan godverdomme nooit op?
 
 
Nee, het houdt nooit op
en in dit besef
schrijf ik mijn volgende gedicht,
denkend aan haar gezicht
en met het lef
van de januskop.

Nee, het houdt nooit op.

 
 
Een dichter wordt pas groot
 
 
Een dichter wordt pas groot
na het aanschouwen van de dood.
Daarvóór is taal te vaak een spel,
van redt ‘ie het niet of redt ‘ie het wel.
Gestoethaspel met woorden.
Manke rijmen op een rij.
Na het aanschouwen van de dood
wordt de dichter waarlijk groot
en spreekt zoals de profeten hoorden:
bijbelvast en waardenvrij.
 
 
Daar sta je dan
 
 
Daar sta je dan,
in een cocon van liefde gehuld
met mensen om je heen.

Waar is ze dan?
Op de proef gesteld geduld.
Vragen zijn er geen.

Je weet niet meer wat kan.
Is er iets vervuld?
Een antwoord, nog niet één.

Wie ben je dan?
Verdriet verguld.
Een zachte steen.

Waar blijf je dan.
De toekomst goed verhuld,
nooit meer alleen.

 
 
Onwerkelijk
 
 
Onwerkelijk:
we keken video.
Daar liep ze gewoon voorbij.
Daar zat ze op een stoel.
Daar leefde ze en was.

Opmerkelijk:
we deden rodeo
op de fiets en Joost zei:
tante Rénata en een heleboel.
Hij zag haar, in z’n sas.

Bewerkelijk:
Belinfante zingt Deo,
ik schrijf bijbelvast en waardenvrij
de kinderen zitten vol gejoel.
Ik zag haar gezicht achter het glas.

Werkelijk:
fijn gesprek met ome Jo.
Warme band, vrolijk en blij,
intense gloed, een vol gevoel.
Even stond de tijd stil
en draaide de aarde niet langer om haar as.

Nu:
leeg, leger, leegst.
De vermoeidheid slaat toe.
Samen verder, verder,
maar ik weet even niet meer hoe.

Vergeef me deze zinnen:
hul me weer in linnen,
sla vleugels met spijkers in mijn rug.
Ik haal haar voor je terug.

 
 

terug naar overzicht
Klein leed
Zwarte dag, lichte nacht
In mijn donker uur
Dit eiland, mijn leven
Schijnvertoning
Klagenfurt
zintuiglijk geweld
De zeurende aanwezigheid van schijn
Madonna aan het Woord