In mjn donker uur (1996)
 
 
Alles heeft ogen deze nacht
 
 
Alles heeft ogen deze nacht
en aan geen kan ik ontsnappen.
De eerste hitte overvalt me al
en ik ruik mijn lichaamssappen.
Voor mij is er geen stille kracht
of een verweer vol grappen.
Ik rol me op tot een harde bal
die elk moment kan knappen.
Vluchten voor die macht
kan ik aan mijn laarzen lappen
en ik roep zacht
'help' als ze uit mijn vaten tappen.

Aan het einde van de jacht
ben ik slechts een 'case closed'
tussen rekken soortgelijke mappen.

 
 
Als ik alle uren
 
 

Als ik alle uren
die ik in wanhoop heb doorgebracht
bij elkaar optel.

Als ik alle dagen
die ik in duisternis heb doorgebracht
neerschrijf op een vel.

Als ik alle jaren
die ik doelloos ben doorgekomen
voorleg aan de hel.

Dan zal men daar gelukkig zijn
en wanneer ik mij weer wentel in de pijn
turft men daar het zoveelste streepje op de kalk
en grijnst terwijl ik machteloos verder zwalk.

Maar, niet voor de hel ben ik op reis.
Niet voor het rode vuur hoef ik te vrezen.
Niet voor de vader met de zeis
die mij de les wil lezen.

Nee, voor dit alles leef ik niet.
Slechts voor het dubbel; ik wil geen quitte.

 
 
Als ik er niet was geweest
 
 
Als ik er niet was geweest
had niemand mij gemist.
Ik ben dus alleen maar bezig
mezelf onmisbaar te maken,
mezelf op te dringen.
Met het gevoel alsof iedereen er mag zijn,
maar ik mijn bestaansrecht nog moet bewijzen.
 
 
De donkere onweerswolk
 
 
De donkere onweerswolk
kan de zon niet verhullen.
Zijn randen spuiten licht de hemel in.
Ergens op aarde vallen stralen.
Iemand vangt ze in een schrijn.
De zwarte kolk
kan mijn kern niet vernullen.
Mijn handen, ruiten, richt ik naar mijn zin.
Nergens zoek ik op in de Van Dale.
Ik wil alleen maar in mijn dromen zijn.
 
 
De nacht heeft vele ogen
 
 
De nacht heeft vele ogen
en alle zijn op mij gericht.
Geen kent mededogen.
Geen heeft een vertrouwd gezicht.
Of het moet zijn
dat ze alle even vreselijk zijn
en mij, gebeeldhouwd in mijn pijn,
doen verlangen naar het licht.
 
 
De vlagen van twijfel, knagend
 
 
De vlagen van twijfel, knagend
aan een langzaam groeiend besef
van eigen waarde,
van zelfverzekerdheid.
Ik ben er bang voor.

Ik hef mijn hoofd op, vragend:
wie ben ik, wat geeft me de lef
te vuur en te zwaard de
onverdraagzaamheid met mezelf, de eenzaamheid
uit te bannen, die ik soms hoor.

Het is niet zo dat anderen mij dragen,
de weg wezen, maar juist dat ik mij hef-
tig wentelde in de aarde,
want mijn eigen geaardheid
was teloor.

Op pad ging ik, jagend.
Ik werd mijn eigen chef.
Het was een nieuwe weg die ik baarde.
Weg van de tweezaamheid
waarin ik steeds vastvroor,
waarin ik veel verloor,
totdat ik zelfs verjaarde.
Nu hoop ik als bejaarde
terug te zien op de rechte voor
die ik na jaren uitverkoor.

 
 
Dit is de weg die ik moet gaan
 
 
Dit is de weg die ik moet gaan.
Daar is nu eenmaal geen ontkomen aan.
Ballast liet ik achter mij.
Ik ga verder en vraag: en jij,
wil je dit pad met mij betreden?
Deze zoektocht uit het heden?
Verder, verder moet ik gaan,
daar waar niemand mij meer kan verstaan.
Waar ik mijn eigen woorden maak.
Niet langer onzinzinnen braak.
Waar ik mijn waarheid vinden zal
en opduik uit het al.
Of vind je het risico te groot?
Tenslotte leidt alles tot de dood.
Voor mij is er niets te verliezen.
Alleen mijn zinnen,
dus voor mij is kiezen
alleen maar winnen.

Je zegt dat je meegaat.
Dat steunt me, weet je,
want van al die grote woorden
gebruik ik maar een beetje.
Door te zeggen dat ik je nodig heb
doe ik mezelf onrecht aan,
maar het is wel fijn, zo’n reisgenoot,
zo'n maatje op de levensbaan.

 
 
Dit is niet wat ik zeggen wilde  
 

Dit is niet wat ik zeggen wilde.
Dat ik kronkelend de vloer aanveeg,
terwijl de duisternis mij insluit
en ik lig te ijlen als voor mijn dood.

Nee, dit is niet wat ik zeggen wilde.
Dat zoveel jaren onbenoemd
achter mij zijn gebleven,
als schaduwen tegen het avondrood.

Het is niet dat ik zeggen wilde
dat alle wegen tot mijn eind
bezaaid zijn met punaises
en ik een last draag, zwaarder dan lood.

Dit is niet wat ik zeggen wilde.
Dat doem nooit van mijn zijde wijkt,
maar op de schoorsteenmantel prijkt
en dat alle hoop mij reeds ontvlood.

Dit is niet wat ik zeggen wilde
in het ogenblik dat ik rilde
en de kou mijn botten sloeg.
Slechts dat ik leef in grote nood.

 
 
Doodsverlangen
 
 
Doodsverlangen, ik herken het,
maar niet in de zin van zelfmoord.
Niet meer, althans, dat is voorbij.
Toch voel ik dat ik met
topsnelheid naar de dood snel, voort
en voort, de tijd snelt voort in mij
 
 
En daarin ben ik weer eenzaam
 
 
En daarin ben ik weer eenzaam.
Dat niets aan mijn spiedend oog ontsnapt,
dat ik daarover zo weinig kan vertellen.

Daarin schuilt de tragiek.
Het is niet de aandacht die verslapt,
maar meer het in de tijd vervellen.

De ui die almaar kleiner wordt.
De boomschors door de poes gekrabd.
De horizon gaat steeds meer hellen.

De man met teveel woorden
schudt de appels, maar betrapt
weet hij nog anderen te kwellen.
Ik snap niet hoe die 't 'm lapt.
Bij mij blijven m'n hersens knellen.

En daarin ben ik eenzaam.
Dat niets mijn spiedend oog ontsnapt,
maar er zo weinig over kan vertellen.

 
 
Geluk trilt in mijn hand  
 
Geluk trilt in mijn hand
als het bijna dode vogeltje
dat ik uit de pispot redde.
Ik legde het in de zon
en het verdween
voor ik tot tien kon tellen.

Geluk rolt van mijn hand
als dat ene kleine kogeltje
waarmee wij toen wedden
dat ik kon wat hij ook kon,
maar het scheen toen
slechts zonder doel te snellen.

Laatst bleef geluk nog even
liggen in mijn hand, lang genoeg
om het beet te pakken.
Ik dacht nog, jou laat ik niet gaan,
maar het geluk begon te beven,
lag te kreunen, alsof ik sloeg,
lag te wringen en te snakken.
Ik wist, dit geluk moet ik afstaan.

Soms komen we elkaar tegen,
niet noodzakelijk in de regen.
Dan trekken we samen een eindje op
en kletsen elkaars oren van de kop.
We zijn niet voor elkaar geboren,
kunnen elkaar niet lang bekoren.
Niet geluk bracht mij mijn top.

 
 
Hoe ouder ik word
 
 
Hoe ouder ik word, hoe minder kicken ik krijg
en het is steeds vaker
dat ik een zwarte parel aan het ongelukssnoer rijg.
Wie zoals ik het leven als ravenzwart gat ziet
en elke dag een nieuw herfstblad aan het vorige niet,
kruipt weg in een zieltogend zelfmedelijden
en wacht gelaten op betere tijden.
En wat helpt het dan als je het mechanisme kent,
als je in een dergelijke stemming bent.
Slechts een vaag besef red je van de ondergang.
De vlagen van waanzin duren niet meer zo lang,
maar ze zijn er nog wel en drukken zwaar,
als onweer op een dode man’s baar
 
 
Ik dreef een wig diep in mijn ziel
 
 
Ik dreef een wig diep in mijn ziel.
Ik zette een fuik voor valse vissen,
opdat geen smet meer binnendringt
en ik me daarvan kan vergewissen.

Eén helft was altijd al nihil,
onzuiver in het opdissen.
De ander, die beviel
prachtvol, gelijk de lissen,

maar die had nooit de macht.
Die mocht nooit meebeslissen.
Nu echter groeit de kracht
die de één zal moeten missen.

 

 
Ik geloof niet in het lot
 
 
Ik geloof niet in het lot.
Het is mij allemaal te voorspelbaar,
ook al weet alleen * of god
wat mij te wachten staat, maar
ik wil niet volgens de gedachte leven
dat alles al is voorschreven,
dat heel je ellendig streven
slechts door anderen is bepaald. Ik mis
daarin het eigen ik,
het eigenmachtig handelen.
Misschien zorgt dat ervoor dat ik stik,
maar beter dat dan roemloos wandelen
over uitgezette paden
door een ander/iets bedacht.
Ik kies dan, het valt te raden,
voor varen op eigen kracht.
 
 
Ik hoor nergens bij
 
 
Ik hoor nergens bij,
niet bij iemand, niet bij iets.
Ik stoor ergens, mij
ziet niemand
Ik ben niets.
 
 
Ik zocht in de morgen
 
 
Ik zocht in de morgen
naar onvervulde wensen
en dromen, nasluimerend van de nacht.
En tussen alle zorgen
om mijzelf en wat mensen
vond ik er nog een paar
en lachte zacht.

Nog niet alles was uit mij gegleden
als een rijnaak uit de dichte mist.
Nog niet alles was beperkt tot het heden.
Er wachtte mij nog meer tot aan mijn kist.
Een onverminderde drang om te volbrengen
is mijn meester die ik gaarne dien.
En tussen de uitgemergelde krengen
van de merries van de nacht
vind ik nog steeds die kracht
en dwaal ik levend tussen doden, ongezien.

 
 
In mijn donker uur
 
 
In mijn donker uur
welt iets zwarts uit mij naar boven
en als ik dat moet geloven
ben ik niets waard en tel niet mee.

In mijn donker uur
lijken alle lichten te doven,
waar ik rond in diepe kloven,
zwarter dan de troggen in de zee.

In mijn donker uur
daal ik af naar dieptes onbeschreven,
waar mijn ziel als wrakkig hout
uiteengeslagen door een storm
rondzwalkt, nat en koud.

In mijn donker uur
is geen fout mij ooit vergeven,
is de wond nog vers, vol zout,
ben ik minder dan een worm
die door de aarde graaft, moe en koud.

In mijn donker uur
is er niets dat ik kan loven.
Sinds de breuk met hem daarboven
is er geen doel meer, geen taak, slechts wee
en na ieder dal klim ik moeizaam weer naar boven
en moet dan wel geloven:
dit kostte me weer een jaar of twee
hoe lang nog, hoe lang nog ga ik mee?

 
 
In mijn stervensuur
 
 
In mijn stervensuur
trok ik klauwend striemen over mijn borst,
kreeg ik het zuur
en werden mijn botten verteerd door vorst.

Het laatste restje kracht
vloeide langzaam uit mijn lichaam weg
en ik bedacht
dat mijn hele leven achtervolgd werd door pech.

Slechts zelden voelde ik mijn hart opspringen
als een veulen in een vroege lentewei.
Slechts zelden wist ik mij te omringen
door vreugde in deze aardse woestenij.
Slechts met grote moeite wist ik mij te ontwringen
uit de nacht van de duivelskunstenarij.

Wie mij ooit met deze rol bedacht
is wreed, maar misschien zonder het te weten,
want bij zijn volle verstand zou iemand al na één nacht
brakend tussen klamme lakens liggen zweten.

Het einde nadert, het licht gaat uit.
De rust niet meer te hoeven dolen,
helpt mij de stap te maken.
Veilig ben ik, in de armen van de dood verscholen.

 
 
In vele nachten ben ik mezelf tegengekomen
 
 
In vele nachten ben ik mezelf tegengekomen
en niet alleen in dromen.
Met wijdopen ogen keek ik recht in het zwart
en de schaduwen telden mijn angsten.

Blind ziende trachtte ik te ontkomen
aan de fantomen,
maar ze raakten me tot in mijn hart
- bij volle maan behoor ik tot de bangsten.

Langs de trap omhoog kwamen zij
die mijn ziel wilden laten spreken.
De achterkant van mijn zelf werd naakt.

Die nachten zijn voor mij een rei,
waarover ik jaren zou kunnen preken
voordat ik zou zijn uitgebraakt.

Echter, mijn wildernis kent nu grenzen,
Mijn chaos regelmaat.
Al weet ik niet wat er voor mij ligt,
ik weet wat ik achterlaat.

 
 
M’n ziel weer eens geleegd
 
 
M'n ziel weer eens geleegd.
Te lang werd ik verpleegd.
Elke voetstap was er een
en dan nog dat andere been,
om over lopen maar niet te spreken.

Wat de droom beweegt
zijn restjes aangeveegd
stof. Wat was ik lang cleen.
Daarin zie'k nu de re'en
om maar wat rond te preken.

Vroeger, ik kreeg 't
niet gedaan, bele'igd
was ik, maar niet alleen.
Ik ken er nog zo een.
Die ander, ik anders bekeken.

 
 
Soms voel ik me zó alleen
 
 
Soms voel ik me zó alleen,
als een rode steen
tussen zeeën witte.
Een eiland ben ik.
Heb ik zitten pitten?

Waar moet ik heen?
Ik ben zo cleen.
Een onaffe tussen gave gitten.
Eerstdaags stik ik.
Ben ik blijven zitten?

Soms lijkt het alsof
ik helemaal alleen sta.
Geen achtergrond heb,
geen basis, geen muur.
Een losse zandkorrel tussen andere
in verband. Op den duur
ben ik geen schep-
per meer, maar ga
op in andermans lof.

 
 
Spijt, jawel, ik heb spijt
 
 
Spijt, jawel, ik heb spijt.
Dat ik niet vroeg hoe gaat 't,
toen je eigenlijk al op sterven lag.
Dat ik geen aandacht aan je schonk.
Je leed wegwoof met een lach.
Natuurlijk was ik bang.
Ik kan het wel verklaren.
Ik vroeg niet naar de bekende weg.
Dat je doodging wist ik al lang.
En nu, na al die jaren
heb ik twee keer spijt, dat ik het nu pas zeg.
 
 
Te gehaast
 
 
Te gehaast, te gehaast.
Waarom niet even
proeven van de eeuwigheid?
De tijdeloosheid van het nu
gevangen in een rode wolk
in het uur van zonsondergang.

Te gehaast, te gehaast.
Waarom niet leven,
toeven in de bandeloosheid
en de gelukzaligheid. Geen 'temps perdu'.
Het verlangen een tolk
te zijn van een goddelijk gezang.

Te gehaast, te gehaast.
Waarom niet de momenten zeven,
groeven graven in de tijd.
Wijsheid krijgen als surplus.
Krassen kerven met een dolk.
Wwegvluchten uit het gevang.

Te gehaast, te gehaast.
Altijd moeten geven
aan de vlassers van de vlijt,
de slurpers van de jus,
de valsaards onder het volk
en aan de dichter’s dadendrang.

 
 
Wat heeft de crisis mij geleerd?
 
 
Wat heeft de crisis mij geleerd,
behalve het mechanisme te doorgronden
dat alles wat ik tot dan toe deed
gerelateerd was aan de zonde
nooit echt voor mezelf te hebben geleefd?

Maar een zonde is slechts verkeerd
als de pleger weet heeft van de wonden
die hij aanricht en het leed
wordt verwoord door vele monden
waaraan de harde waarheid kleeft.

Wee de argeloze die zijn ziel penetreert
met vragen in de avondstonde,
wanneer iets hem zegt dat het hem speet
nog niet te hebben gevonden
waarvoor zijn hele omgeving beeft.

Maar als hij eindelijk de woorden weert
die hem aanvankelijk voor ogen stonden
en nu werkelijk uitroept ja ik weet;
dat is het uur waarop de lont de
kruitvaten bereikt en hij voorgoed het antwoord heeft.

Dat heeft de crisis mij geleerd:
het mechanisme te doorgronden
van alles wat ik tot dan toe deed.
Nu is aan mij de tweede ronde
waarna ik wil weten dat ik heb geleefd.

 
 
Zeg niet de crisis is onderkend
 
 
Zeg niet de crisis is onderkend,
de crisis is bezworen,
want wie al niet kent
heeft al snel al verloren.

Er is geen glorie verbonden
aan meer dan dertig jaren zonden,
aan meer dan dertig jaar onwetendheid.

Zeg niet na de crisis alles went,
ik scheid het kaf nu van het koren,
ik weet nu wat mij zendt,
ik kies mijn weg nu recht als voren,

maar: ik ken de touwen die mij bonden.
Na meer dan dertig jaar gevonden.
Na meer dan dertig jaar, 't werd tijd!

 
 
Zwarte bomen tegen een zwarte lucht
 
 
Zwarte bomen tegen een zwarte lucht.
De zon die het naderend onweer ontvlucht.
Een koude windvlaag, de eerste regen valt.
Een flits en opnieuw is mijn leven verknalt.
Moeizaam kruip ik onder de klamme deken vandaan.
Met welk noodlot zal de nieuwe dag mij weer slaan?
 
 

terug naar overzicht
Klein leed
Zwarte dag, lichte nacht
In mijn donker uur
Dit eiland, mijn leven
Schijnvertoning
Klagenfurt
zintuiglijk geweld
De zeurende aanwezigheid van schijn
Madonna aan het Woord