Dit eiland - mijn leven (2000)
 
 
Als alle vrienden zijn gestorven
 

 
Als alle vrienden zijn gestorven
en de tijd verdwijnt
achter gindse duinen,
zoek mij dan aan de kust.

Daar breng ik wat ik heb verworven.
Daar offer ik, terwijl Hades seint,
mijn slecht onderhouden tuinen
en mijn nooit gevonden rust.

 
 
Als je de weg niet meer weet te vinden
 
 
Als je de weg niet meer weet te vinden
naar de handen van beminden
en je als een moede hinde
je hoofd in de schoot legt
van een stralendmooie maagd,

loop dan nog één keer onder linden,
langs de zee, met westenwinden,
bezoek je goede vrinden
en weet wat je zegt
als iemand je iets vraagt.

 
 
Bewaar slechts een paar zaken
 
 
Bewaar slechts een paar zaken
die werkelijk van enige waarde zijn:
het eindje touw uit je kinderbroekzak,
de schelp van het strand,
de eerste wankele pubergedichten,
de brief van dat Franse meisje,
een pasfoto vol sproeten,
je eerste langspeelplaat,
de eerste herinnering aan liefde,
de eerlijkste eed van trouw,
maar ook de uren van schaamte,
van verraad, van nederlaag,
van schuld en ellende,
van regelrechte haat.
Geef ze allemaal een plaatsje,
zet ze netjes naast elkaar
en stof ze eens een keertje af
of poets ze op -
ze zijn het waard.

En, oh, ja
vergeet jezelf niet,
want jij leerde me dit:
bewaar wat nut heeft,
bewaar wat zin geeft,
bewaar wat leeft.

 
 
De geest omfloerst
 
 
De geest omfloerst.
Ik vaar weer blind op automatismen,
luister half met dovemansoren
en reageer gemaakt oprecht.

Mijn wereld koerst
vol van anachronismen
en miljoenen stemmenkoren.
Ik voel me zo onthecht, onecht.

Los ben ik weer, opgestegen,
zwevend door een niemandsland.
Elke wereld kan de mijne zijn
en is dit wel mijn eigen hand?

Mijn lichaam hoort niet bij mijn geest.
Soms snak ik naar de scheiding.
Misschien is dit dan wel mijn queest’,
dit gedicht mijn doodsbereiding.

 
 
Geblakerde velden, willoos slachtoffer van brandende boeren,
 
 
Geblakerde velden, willoos slachtoffer van brandende boeren,
zo vruchtbaar gaf het leven aan het zaad.
Niet eenzaam was de steppe waarop ik toefde,
te diep de eeuwig voortkabbelende haat.

Dit dubbel, zwart-wit landschap van mijn leven,
gekliefd, beroofd, gekluisterd in de nis,
dat eeuwig slechts een oprisping van dwazen
en hiernamaals een dwaling van waarlijk krankzinnigen is.

Dan, ineens, een prettige gedachte,
die als een balsem elke wonde heelt:
als nu al het goed in al vereend
al het slecht in al eens keelt
en al het goed dan verder leeft?
Mijn schrijfhand beeft.
Dan wil ik wel geloven
Dan heb ik niet voor niets gestreefd.

 
 
Dit eiland - mijn leven 4
 
 
Een kiezel, een blok basalt.
Ik griezel, de vuist gebald.
Wat onderscheidt mijn leven?
Alleen die vraag al doet mij beven.
 
 
Dit eiland - mijn leven 6
 
 
Onlosmakelijk verbonden,
maar ook angstig los.
Schaamteloos geschonden.
Haal de ankers, kap de tros.
 
 
Dit eiland - mijn leven 9
 
 
Is het dat ik leef onder de zeespiegel
dat ik me zo bedrukt voel,
ook al word ik beschermd door dijk en duin?
Is het eigenlijk omdat je dan niet kan bestaan,
een zonde tegen de natuurwetten
bedenk ik mij, in mijn onderwatertuin.
 
 
Dit eiland - mijn leven 10
 
 
De wilgen moeten nog geknot
en staan te pronken met hun tooi.
Het zicht is waarlijk veel te zot,
ook al vinden sommigen het mooi.

Ik heb ook dergelijke antennes
- emotionele creativiteit -
die gaan zo nu en dan in quarantaine;
stuk voor stuk brengen ze narigheid.

 
 
Dit eiland - mijn leven 12
 
 
Als de golven beukend op de duinen slaan
en ik in onmacht mijn armen hef
en een dikke wattendeken mijn denken vertroebelt
vraag ik me af wie ik ben.

Als ik mijn gezicht in de spiegel bekijk
is het met een ondraaglijk besef:
de tijd slaat beukend op mij in
en daar is niemand die ik ken.

 
 
Dit eiland - mijn leven 13
 
 
Langzaam komt het inzicht
dat je jonger bent dan de tijd.
Hulpeloze baggeraar
op zoek naar een verdieping
in de stroomgeulen van je leven.

Zandhonger, je slibt dicht.
Nog even en je bent bereid.
Argeloze kankeraar.
Waarheen was het dat je liep? In
de zee met jou en dan de zeilen reven!

 
 
Dit eiland - mijn leven 15
 
 
Ik loop op het strand en zie
wat de zee mij bracht:
een blauwe kwal, wat touw,
een flesje zonder inhoud,
een varkenspoot,
twee stenen en wat hout,
drie blikjes en een plastic dop,
en een dode meeuw
(of leeft die nog een beetje?
Zijn ogen zijn nog niet dof.
Snel loop ik door.
Ik draai zijn nek niet om,
oh, nee, er zijn kinderen bij;
dan maar een verhaaltje verzinnen).
Enfin, er zit niets tussen,
zoals gebruikelijk.

Ik snuffel aan alles in het leven,
maar niets beklijft.
Ik houd ook afstand,
want je weet nooit.
Voor je het weet word je verlaten
en als je je daar op instelt
valt het allemaal nog wel mee.

Nu moet ik wel zeggen
dat het strand me boeit.
Alles wat je daar hebt opgebouwd
is weer weggevloeid.

 
 
Dit eiland - mijn leven 16
 
 
Paalhoofden.
Ik beitel er portretten in.
Ik laat de zee zijn werk doen.
Pokkenkoppen.
Kunst!
 
Dit eiland - mijn leven 18
 
 
Brenger van onrust.
Windvlagen, schuimkoppenvriend.
Knabbel aan de kust.
Zandsuppletie of face-lift?
What’s in a name
of in je grafzerk gegrift?
 
 
Dit eiland - mijn leven 19
 
 
De kop ronden.
Besef van eeuwigheid, van tijd.
De kop ronden.
Besef van vergankelijkheid.
Midden in de winter.
Tussen meeuw en strandplevier.
Je wordt er weer kind, er
heerst oer en chaos hier.
 
 
Dit eiland - mijn leven 20
 
 
Met kind en fiets langs poel en kreek.
Met wind en verder niets, geen doel, geen preek.
Kijk, een reiger, en hier, proef, graan
en samen in een maïsveld staan.
Hier komt samen waarvan ik hou
en natuurlijk zijn dan de luchten blauw.
 
 
Dit eiland - mijn leven 23
 
 
De kop ronden.
Zo nu en dan vraag ik me af
of ik mijn eigen kop wel kan ronden.
Dit bepokte paalhoofd in zompige gronden
draag ik mee tot aan mijn graf.
De kop ronden?
De kop kosten!
Dát kan het mij,
Zondagskind,
door nazomergoden gezonden.
 
 
Dit eiland - mijn leven 24
 
 
Mijn haar in de war
- maar ik heb tenminste nog haar.
Mijn tanden vol met zand
- maar ik heb tenminste nog tanden.
Mijn kleren beteerd
- maar ik heb tenminste nog kleren.
Mijn zolen onder de paardepoep,

maar ik heb lekker overal schijt aan.

 
 
Dood zijn ze
 
 
Dood zijn ze,
hartstikke dood.
Nog nooit zo dood geweest.
Erger dood kan niet.
Dood, doder, doodst.
Doodst dus
en daar de overtreffende trap van:
doodster
of doodsterst, nog erger.
Wie is er het doodsterst?
Nou, zij dus.

Ze proberen het wel,
levend te blijven,
maar het lukt niet.
Als de symbiose wordt verbroken
sterven boom en heksenbezem
een gruwelijke dood,
met paddestoelen, korstmossen
en wriemelend gedierte.

Nee, alleen leven ze niet.
Alleen redden ze het niet.
Ze zijn dood.
Voor ons zijn ze dood.

Het is zeer de vraag
of uit die dode stobben
nog iets moois kan bloeien.

Wij hebben er een hard hoofd in.
Een beetje beurs weliswaar van het stoten,
maar toch, ook al is er vermoedelijk meer
tussen hemel en aarde.
Het zou ons verbazen
als de doden tot leven werden gewekt.

 
 
Er is een antwoord
 
 
Er is een antwoord
om niet met leven te stoppen.
Je leest gewoon dat gedicht
over die virodoppen.
Dan breekt de lach weer door.
Dan schijnt de zon weer fel.
Dan ga je er weer voor.
Jij circonflext het wel.
 
 
Hoe meer de tijd verstrijkt in mijn nadeel
 
 
Hoe meer de tijd verstrijkt in mijn nadeel
hoe groter haast mijn leven krijgt.
Je bent wat je produceert
en daar word je op afgerekend.
Door wie?
Door levenden en doden,
door jezelf en je nazaten,
door je voorouders
en je huisdieren.
Het is een aantrekkelijke gedachte
terug te keren met het besef
van de vorige levens
als leergang,
maar het is slechts een aantrekkelijke gedachte
als het uitloopt op een happy end,
anders hoef ik het niet,
anders heeft het geen nut
en nut moet het hebben,
anders deugt het niet.

Wie gaat hier eigenlijk over?

 
 
Kromgetrokken handen
 
 
Kromgetrokken handen
klauwen nerveus aan geplooide rokken.
Diep uitgesleten rimpels
fronsen naar afgezakte sokken.
Trillende lippen
zoeken woorden, doordrenkt met zorg.
Gebogen schouderlijnen,
kindjes borg.

En tijd?
Die zit rustig te wachten,
net als pietje de dood.
Ze spelen met Magere Hein
het spel van ijzer om oud lood.

Geest wil weg.
Geest wil blijven.
Lichaam wil weg,
voelt zich verstijven.

Misschien, heel misschien,
komt alles toch nog goed.
Dan heeft het toch zijn nut gehad,
al die tranen, dat zweet, dat bloed.

Kromgetrokken handen
klauwen nerveus aan geplooide rokken…

 
 
Nog even en ik ben veertig
 
 
Nog even en ik ben veertig,
maar ik voel me zeventien,
maar zo ziet dat meisje me niet.
Meisje, hoor mij;
die is ook al drieëntwintig
en ze zegt meneer en u tegen mij,
maar ik voel me helemaal geen meneer en u.
Zelfs mijn kinderen zeggen jij.
De kloof wordt blijkbaar alleen maar breder.
 
 
Ogenschijnlijk is er niets meer aan de hand
 
 
Ogenschijnlijk is er niets meer aan de hand,
zijn de stormen bedwongen en is er rust in ’t land.
Ogenschijnlijk is er niets meer aan de hand,
voelt mij zelfs de sluipschutter mij niet meer aan de tand.
Ogenschijnlijk dommelt het en soezelt het in mijn hoofd
en ben ik van mijn drijfveren beroofd,
is de vlam uiteindelijk gedoofd
en ben ik versloofd.
Maar wie kent de branden in mijn lichaam,
de lava die gloeiend door mijn aders raast,
de ondergrondse erupties zonder naam,
die roodbrakende hitte door mijn slapen blaast?
Ogenschijnlijk heb ik alles in de hand.
Ogenschijnlijk zit hier iemand rustig en leest er
zijn door wereldellende ineengeschrompelde krant.

Weet dan, hij is er wel, maar ik ben die brand meester.

 
 
Oh, ik snap het wel
 
 
Oh, ik snap het wel.
Ik ben niet dom,
hoogstens naïef.
Ik neem al snel
wat anderen vertellen
voor lief.
Ik weet ook wel
dat er andere lieden zijn
die, zuur als azijn,
je voor de voeten lopen
en, als je even niet kijkt,
je een knal voor je kanis verkopen.
Maar, is mijn welgemeende vraag:
moet ik daar rekening mee houden?
Dat doe ik namelijk liever niet,
anders loop ik de hele tijd
- en waarschijnlijk langer -
gebukt onder het gewicht
van een groot verdriet.
Ik heb de mensheid niet geschapen,
dat zootje gedegenereerde apen.
Ik zei niet sta op en wandel,
verniel gerust de hele handel.
Nee hoor, dat reken ik mij niet aan.
Zo, en nu eerst even een banaan.
 
 
Weerzien met het verleden
 
 
Weerzien met het verleden.
Oude dozen op de zolder.
Ik maak ze niet open.
Na talloze verhuizingen weet ik wat erin zit.
Die hoeven niet meer open.
Ze moeten ook niet worden weggehaald.
Tast ze maar op.
Ze zijn niet tot last.
Als ik ze nodig heb, kan ik altijd nog kijken.
Oude agenda’s, proefwerken, tekeningen,
krabbeltjes op stencils.
Historie van een leven.
Als ik er lang naar kijk,
word ik zwaar in mijn hoofd.
Niet doen, laat maar liggen.
Ik maak ze niet open.
Er zit teveel rommel in,
met herinneringen, vol ellende.
Nee, niet open maken, niet doen.
Zo’n masochist ben ik nu ook weer niet.
 
 
Wie zoekt naar woorden in onvergankelijk leed
 
 
Wie zoekt naar woorden in onvergankelijk leed
vindt niet zelden onbezorgdheid vergaan
en in de ogen van de waarheid
leest hij tranen.

De onbevangenheid krijgt een verleden
en het nest van weemoed broedt vreemde eieren uit,
die getuigen van onbezonnenheid, vrijblijvendheid
en het verglijden van de jeugd.

Verantwoording roept met klagende stem.
De vlijmscherpe wind van vergankelijkheid
buigt de halmen van gevoelige lieden
en boetseert hen tot vaal gras.

Oneindigheid wordt eindig
en een gevoel van sleet resteert.
Zo, gekluisterd in de ketenen van het leven
wordt leed een balsem voor elke wonde.

Rot wordt bloei,
dor wordt vruchtbaar,
leed wordt vreugde,
nacht wordt dag
en elke gedachte aan de naderende dood
een hoopvolle verwachting.

 
 
Zal ik zingen van de duinen
 
 
Zal ik zingen van de duinen,
van de helm en het strand,
van de meeuwen, van de Zeeuwen,
van dit laaggelegen land,
over houtduiven en snippen,
strandpleviertjes, waterral
duindoornbessen, wilde kippen
en een enkele oeverval?

Welnee, flauwekul.
Knoopwier, lekker zwart.
Als je knijpt zegt het knap
en het heeft geen hart.

Klem je hoofd tussen twee palen,
schuur de algen tot bloedens toe,
ren dan in de zee:
het zout snerpt in de wond.

Dan kun je weer rustig ademhalen,
dan voel je je ineens niet meer zo moe.
Na zo’n procédé
ben je weer helemaal gezond.

 
 
Zwarte dagen, doemvol denken
 
 

Zwarte dagen, doemvol denken.
Uit met de rust, trillend onbehagen.
Worstelend met de sluipschutter.
Het proces is bekend,
de wond sneller dicht.
Soms snerpt het weer.
Argeloos, naïef.
Wat een valkuilen telt het leven.
Ik moet blijkbaar in alle vallen.
Ook in het leven ben ik een
onhandige doe-het-zelver.
Ik doe alles de eerste keer fout.

Zal dat ook zo gaan met sterven?

 

terug naar overzicht
Klein leed
Zwarte dag, lichte nacht
In mijn donker uur
Dit eiland, mijn leven
Schijnvertoning
Klagenfurt
zintuiglijk geweld
De zeurende aanwezigheid van schijn
Madonna aan het Woord