zintuiglijk geweld (1990 - 2005)
 
   
 
   
Aan hen die ik mijn vertrouwen schenk
 
   
Aan hen die ik mijn vertrouwen schenk:
gedenk, alle dagen van uw leven
dat ik het heb gegeven.

Aan hen die mijn vertrouwen schonden:
gebonden bent u, door mijn dromen;
nimmer zult u mij ontkomen.

Ik draag de lust en last van het verleden mee.
Zee, met huizenhoge golven,
waaronder ik word bedolven.

Ik zie de toekomst en herken wat lijnen.
Mijnen, noem ik ze en wacht,
tot alles is volbracht.

Ik ken geen grenzen.

Uit: Zwarte dag – Lichte nacht, gedichten 1994-1996.

 
 
Als golven konden spreken
 
 
Hier heerst tij en schuimend water.
Niets herinnert aan de wond.
Nu is toen en vroeger later
en zo gaat de cirkel rond.

Golven kunnen spreken,
verhalen van hun meester Zee.
Hoor de mensen opnieuw smeken.
Zelfs de goden huilen mee.

Mensen roepen dat goden niet deugen.
Alsof de zee een bewustzijn heeft
en de mens geen verantwoordelijkheid.

In de schemer van het geheugen
wordt elke waarheid grof gezeefd.
In het besef van tij en eeuwigheid.

Uit: Zeeuws Tijdschrift/Balustrada jaargang 53, 1/jaargang 17 nr 1 2003

 
 
Anders bekeken
 
 
Hij bekeek alles anders.
Anders bekeken, zei hij,
is niets hetzelfde,
maar alles anders.
Dat ligt er maar aan hoe je het bekijkt, zei ik,
maar dat begreep hij niet.

Dat verschilt per individu.
Zij zei dat dat scheelde,
maar dat zei ik niet.
Ik zei alleen,
je doet het er niet even bij,
maar dat begreep ze niet.

Het geluid is te hard.
Ik wil kunnen praten.
Zij zei, overal is het hard.
Mensen willen dat.
Ik zei, ik ben een mens,
maar dat begreep ze niet.

Uit: Zwarte dag – Lichte nacht, gedichten 1994-1996

 
 
En eens…
 
 
En eens zakken je ogen weg in hun kassen
en vallen je handen slap langs je lijf.
Dan is alles voorbij en duwen vaardige handen
je blaas leeg en kleden je aan, voordat je stijf
met een steeds glaziger aanzicht in een kist ligt
en een vormeloze rij een laatste groet uitbrengt.
Harde, grove blokken klei ranselen het hout.
Je was nooit oud, maar toch heeft de tijd je verzengd.

Uit: Klagenfurt, 2005

 
 
De lach breekt door
 
 
Gedrongen, nee, gekrompen werkelijkheid.
Nee, besloten, of... ingesloten,
beklemmende kleine werkelijkheid.
Verzuring?
Benauwende werkelijkheid.
Te kleine, benauwende werkelijkheid.
Ja, zoiets is het wel.

Het hoofd voelt smal.
Eng, in de betekenis van smal.
Hij heeft een eng hoofd.
U heeft een eng hoofd (Koot en Bie).
Nee, ik heb geen eng hoofd.
Jawel, dat heeft u wel,
in de betekenis van smal.
Dus een te kleine, benauwende werkelijkheid in een eng hoofd.

Vertroebeld, klinkt goed.
Een vertroebeld denken (denkraam; Toonder?)
Ondoorzichtig (Alt-F1: bestaat niet >>
troebel = drabbig, onhelder, onzuiver, maar ook
dof, duister, mat, wazig en
broeierig).
Een drabbig hoofd?
Drabbig is een lekker woord.
Dan een te kleine, benauwende werkelijkheid in een eng, drabbig hoofd.

De lach breekt door.
Ja, ja, de lach breekt door.

Uit: Zwarte dag – Lichte nacht, gedichten 1994-1996

 
 
De Manteling der liefde
 
 
Scheefgegroeid en kromgetrokken.
Korstmosbegroeid en vaalgeel.
Windgegeseld verleden, schrijnpokken.
Parasolheden en landberoofd deel.

Ouderdomskwalen, gescheurde steen.
Diepduindalen en zandsnerppaden.
Muurontwrichting, vorstelijk heem.
Nieuwe lichting germanymaden.

Zieldoortrokken, hartverpand.
Boomschorslokken en varenpracht.
Rhododendron, geurennacht.
Armageddon, buitenland.

Als alle vrienden zijn gestorven
en de tijd verdwijnt
achter gindse duinen
zoek mij dan aan de kust.

Daar breng ik wat ik heb verworven.
Daar offer ik, terwijl Hades seint,
mijn slecht onderhouden tuinen
en mijn nooit gevonden rust.

Uit: Zeeuwse zoektochten, 2003

 
 
Een dichter wordt pas groot
 
 
Een dichter wordt pas groot
na het aanschouwen van de dood.
Daarvóór is taal te vaak een spel,
van redt ‘ie het niet of redt ‘ie het wel.
Gestoethaspel met woorden.
Manke rijmen op een rij.
Na het aanschouwen van de dood
wordt de dichter waarlijk groot
en spreekt zoals de profeten hoorden:
bijbelvast en waardenvrij.

Uit: Zwarte dag – Lichte nacht, gedichten 1994-1996

 
 
Onrust
 
 
Onrust beheerst het denken.
Alle troeven lijken uitgespeeld.
Aan de einder lacht de dood.
Die heeft zich nog nimmer verveeld.
Hoog torent verloren luister
als een epitaaf op een graf:
Hier liggen ongebruikte kansen,
getalenteerd, maar laf.

Uit: Klagenfurt, 2005

 
 
Het is amper herfst
 
 
Het is amper herfst
en de taal slaat toe.
Woorden vallen uit
en de gedichten worden schraal
als de pezige oostenwind
de stranden schraapt.

Uit: Zwarte dag – Lichte nacht, gedichten 1994-1996

 
 
Ik hoor nergens bij
 
 
Ik hoor nergens bij,
niet bij iemand, niet bij iets.
Ik stoor ergens, mij
ziet niemand.
Ik ben niets.

Uit: In mijn donker uur, gedichten 1997-2000 + Balustrada jaargang 9, nummer 1/2 1995 + The Zeeland Page van Cees Maas op internet, februari 1997

 
 
Sárika Goth en tante Christien
 
 
Sárika Góth overleden, 92 jaar.
Een kleine, broze vrouw, op een
foto van Wim Riemens.
Daarnaast, een meisje dat
de nieuwe badmode showt.
Ze straalt kracht uit, met de
wilde frisheid van limoenen.

Het komt, het gaat, het
komt, het gaat, als het ritme
van eb en vloed, als het draaien
van de aarde, van de aarde, van de aarde.

Het is een kringloop.
Dat besef je aan een graf.
Iets is nooit af,
soms reeds gezien.
Gedenk Sárika Góth
en tante Christien.

Uit: Klein leed, gedichten 1990-1994

 
 
Geografie
 
 
De meeste mensen die mij kennen,
kennen alleen de ruwe oppervlakte
van mijn binnenwereld;
de zeeën en continenten,
poolkappen en wolkenstromen.

Een niet zo'n grote groep
heb ik toegelaten tot een werelddeel.
Ze denken mij te kennen,
maar ik weet beter.
Ik kan ze nog alle hoeken en gaten laten zien
van de wereld die ik ben,
breng ze continue op een dwaalspoor,
laat ze gissen naar mijn wezen.

Mondjesmaat laat ik mensen in een land.
Ik heb er vele en speel met de bezoekers
als lijsters met een slak.

En dan de stedelijke agglomeraties.
Die zijn niet voor iedereen.
Degene die daar een bezoek brengt,
wordt door mij hoog ingeschat;
immers, hier naderen ze de kern,
soms angstig dicht, in mij.

Het centrum van de stad,
oud, getekend door de jaren,
is voor mijn allerbeste vriend.
Hier zijn het slechtste en het beste
van mij in mij vereend.

Maar niemand laat ik toe
in dat ene kleine steegje,
daar, bij die kroeg, rechts, om de hoek
Waar herfstdraden webben weven
en de kots hoog ligt opgetast.
Waar klinkers missen en damp
uit onzichtbare pijpen de lucht verpest.
Hier ben ik alleen
en alleen moet ik hier blijven.
Dit is de as waar mijn wereld om draait.
Hier bewaar ik mijn zwarte doos.

Toch, ik kom er niet te vaak.
Net vaak genoeg om hem niet te vergeten.
Net vaak genoeg om donders goed te weten,
dat die steeg soms mijn hele wereld was.

uit: Zwarte dag – Lichte nacht, gedichten 1994-1996

 
 
Ik worstel met de tijd
 
 
Ik worstel met de tijd.
Dat de tijd zou worstelen met mij is onzin.
De tijd heeft geen besef.

Eigenlijk worstel ik ook niet met de tijd.
Ik worstel met mezelf
en geef de tijd de schuld.

Die gaat veel te snel.
Maar de tijd gaat niet.
De tijd is een constante,
of beter, die ís.

Of ík ben is nog maar de vraag.
Maar die ga ik niet beantwoorden.
Oh nee, ik ben niet gek!

Uit: Zwarte dag – Lichte nacht, gedichten 1994-1996

 
 
’s Avonds
 
 
’s Avonds, voor een oud vuur, starend in de blokken.
Rood huilt de kleur als verloren zielen in de nacht.
De paardendeken om je lichaam, zwetend van de kou.
Vier ruiters in de verte, waarvan de eerste nu reeds lacht.
Verborgen hitte in koortsdromen, ergens stort een poes
herinneringen als naalden uit een hooiberg in de as.
Een hoog huis aan de vest tast peinzend om zich heen
en vraagt zich somber maar gelaten af wie hij eigenlijk ook weer was.

Uit: Klagenfurt, 2005

 
 
De pier
 
 
Aan het eind van de pier zingt de wind een troostend lied.
Tankers varen voorbij, maar zien haar niet.
Wie is een held en wie wendt de steven
als de kans maar een keer wordt gegeven?

Het verschil tussen springen en verdergaan
is niet veel groter dan de spreekwoordelijke
kameel die voor het oog van de naald komt te staan.

En de wind zingt zijn lied voor haar
en ziet haar lopen, richting boulevard.
Hij blaast haar een deuntje achterna.
De tanker drinkt zijn misthoorn leeg in ‘A’.

Uit: Klagenfurt, 2005

 
 
Ergens in de verte
 
 
In de verte.
Ergens in de verte
schudt iemand een zak met wolken leeg.
Ik kan niet zien.
Ik kan niet zien wie het is.
Ik vroeg niet waarom ik kreeg.
De schroeiend hete wind,
maanbeschenen dodenkind.
Ik moet je laten gaan.
Cirkel nu maar in een baan
om die angstig vragende overblijvers heen.
Er is er hier geen een
die niet vroeg waarom hij kreeg.
Ze kunnen niet zien wie het is.
Ze kunnen niet zien.
Iemand schudt een zak met wolken leeg,
ergens in de verte.
In de verte.
Iemand schudt een zak met wolken leeg.

Uit: Zwarte dag – Lichte nacht, gedichten 1994-1996

 
 
Boogie
 
 
Ze zit boven op de wereldgeschiedenis,
maar het kan haar niets schelen,
ook al bestaat de reeks
uit zesentwintig delen.
Ze krabt achter een oor op Tuckman,
likt haar gat op Gerlof Verweij,
blaast tegen Herodotus
en trapt de Bijbel uit de rij.
En als ik voorzichtig, als ze bij me zit,
over de waarde begin
en over wat de geschiedenis ons kan leren,
antwoordt ze met gespin
en trekt haar nagels door mijn kleren.
Dan klautert ze weer naar De trotse toren
en wil van geen protest meer horen.

Uit: Klein leed, gedichten 1990-1994

 
 
Diep gaan
 
 
Waarom grijns je als je diep gaat?
Waarom lach je alles weg?
Je doet teniet wat je net gedaan hebt
en kijkt gegeneerd als ik het zeg.

Ik sta daar met mijn broek tot op mijn schoenen,
Met mijn ziel, braakliggend land.
Dat houd ik niet zo heel lang vol.
Er zijn er voor minder wel verbrand.

Ja, maar, de spanning is ineens verdwenen.
Je zet zo iedereen op het verkeerde been.

Ja, sorry, ik zal proberen het te laten,
maar walst dan niet iedereen over mij heen?

Uit: Klagenfurt 2005

 
   
 
   

terug naar overzicht
Klein leed
Zwarte dag, lichte nacht
In mijn donker uur
Dit eiland, mijn leven
Schijnvertoning
Klagenfurt
zintuiglijk geweld
De zeurende aanwezigheid van schijn
Madonna aan het Woord