Madonna aan het Woord
XXVIII portretten, een Duitse vertaling en een toetje (nr.XXI) (2006)
 
   
In de zomer van 2006 hebben Ramon de Nennie en Hans Overvliet een zomeratelier gehad in het Centrum voor Beeldende Kunst te Middelburg. Zij vroegen bevriende kunstenaars om zich te laten inspireren door hun werk. Ramon had onder meer een serie Madonna's gemaakt; steeds hetzelfde schilderij, maar tegen een ander gekleurde achtergrond, waardoor bij elk schilderij een andere beleving ontstond. Door dit gegeven heeft Robbert Jan zich laten inspireren om een aantal gedichten te schrijven. De schilderijen kwamen te hangen op verschillende locaties in de stad en daarbuiten, zoals de rechtbank, het Zeeuws archief, een stripwinkel, een wijnkelder, een café, boven de bank of in het urinoir onder de Lange Jan. Eén gedicht is vertaald in het Duits en hangt onder het schilderij in het atelier van een met Ramon bevriende Duitse kunstenaar in Berlijn. Alle kunstuitingen, van beeldend tot dichtend, zijn door Ramon opgenomen in een door hem vervaardigde catalogus, die waarschijnlijk nog tijdens het leven van de kunstenaar op de website zal worden geplaatst. Niets is zeker en dat willen Ramon en Robbert Jan ook graag zo houden.
 
   
   
I [voor in het stadskantoor naast het portret van Beatrix]
 
 

The Beatles zijn groter dan Jezus
stond in een Amerikaanse krant
- niet dat John Lennon het zo had bedoeld.
Het liep gigantisch uit de hand,
want zo werd het door velen wel gevoeld.

Kom niet aan God, Jezus, Maria of de koningin
- de gekroonde godin van Nederland,
de Madonna die met haar volgelingen sjoelt.
Geïnstitutionaliseerde adoratie - heel pikant - ,
want dat is waar een theocratie op stoelt.

 
   
 
   
II [voor in de kerk]
 
   

Hoog boven God en Jezus verheven.
Aardgodin, moeder van al wat leeft.
Die huilend een kind gekruisigd zag
en toch iedereen vergeeft.

Veel aansprekender dan bloed met doornen
en toegeschreven goddelijke kracht.
Verworden tot icoon van oude vrouwtjes
die zwelgen in hun eigen afhankelijke onmacht.

Archetypisch beeld, oermoeder, vrouw.
Houdt de wereld aan de borst.
Niemand die aan haar ontkomen kan,
want iedereen heeft dorst.

 
   
 
   
III [voor in het kunstlokaal op school]
 
   

Salvador Dalí schilderde zijn eigen vrouw
Gala als Madonna en Yoko Ono was
voor John Lennon Mother Superior en
Frida Kahlo schilderde zichzelf en leek op
een Madonna in haar schilderpijn.
Als alles voortkomt uit de vrouw
wil iedereen Madonna zijn.

 
   
 
   
IV [Voor op het toilet]
 
   

Ongeveer alles wat men kwijt moet
wordt hier doorgespoeld.
Vrijwel het hele lichaam wordt hier gevoeld.

Dan, met een blik omhoog, wordt
het samengeknepen oog het beeld van
een Madonna gewaar.
En terwijl de darmen zich legen
in een tot de rand gevulde pot
maakt de zittende bezoeker
een devoot gebaar.

 
   
 
   
V [voor in een serie in de galerie]
 
   

Duizend Madonnakoppen op een rij,
en maar één die recht naar de schilder kijkt.
Eén Madonna, die wil vrij
zijn en niet worden geijkt.

Uit de regelmaat van strakke lijnen,
afwijkend van wat moet en lijkt,
rent ze weg om naar haar gezin terug te keren,
waar haar man de overhemden strijkt.

 
   
 
   
VI [voor thuis]
 
   

Thuis, boven de bank, hangt, innig tevreden,
de verstilde glimlach op het gezicht vereeuwigd,
de Madonna met de blote borst.

En ’s nachts, als het huis vol zachte geluiden is
en wonderen slechts in dromen komen,
wordt er melk op de bank gemorst.

 
   
 
   
VII [voor in de trein of op het station]
 
   

De Madonna van Onze Lieve Vrouwe van de Polder
wilde graag naar Wladiwostok toe.
Ze reisde tweede klas met de trein in zeven weken
en kwam aan, voldaan, maar moe.
Onderweg zwol de schare
van aanbidders steeds meer aan.
Ze kon geen station passeren
of ze stonden langs de baan.
“Ik ga naar huis”, sprak ons klein vrouwtje.
“Ik ga naar huis, want dit is geen werk.
Ik was op zoek naar vrijheid,
maar mijn huis werd een kerk.”

 
   
 
   
VIII [voor in de viswinkel]
 
   

Moeder van de visser der mensen,
die zelf in haar vruchtwater zwom.
Wie niet zelf leert te zwemmen
is geen god, maar dom.

 
   
 
   
IX [voor op de boot]
 
   

Madonna van de boot,
de handen ten hemel geheven,
roept luid om hulp,
want ze moet overgeven.
Een ezel kon ze nog wel aan,
helemaal naar het land Egypte,
maar de zee is haar te veel;
ze is nog niet rijp voor de crypte,
heeft nog geen weet van donkere tijden
waarin geweld haar status bepaalt.
Ze wordt maar door één gedachte gedreven:
dat ze op tijd de reling haalt.

 
   
 
   
X [voor aan een boom]
 
   

De boom, de takken wijd uitgespreid,
machtig, met de wortels in de aarde.
De bladeren temperen zonlicht naar het gras,
dat groeit en plots, de fijnbesnaarde
hand van speelse muzikaliteit
en intense, sensitieve waarde,
bestrijkt sensueel de lijnen in de bast.
Madonna in de gaarde.
Klein en breekbaar in de tijd,
kwetsbaar – die reeds baarde – ,
die komt en is en was,
meer dan tweeduizend maal verjaarde
en altijd met de kool de geit
en de wolf spaarde.

 
   
 
   
XI [voor in de keuken]
 
   

Tussen knoflook en peterselie,
selderij, taugé en zout,
zit de kokende Madonna.
Rode appelwangen, maar nooit oud.
Ze zoogt met fier geheven tepels
het jongske aan haar tiet,
terwijl ze wortels raspt en uien snijdt
en de aardappels afgiet.

 
   
 
   
XII [voor in het mortuarium]
 
   

In het mortuarium zit een kleine vrouw,
de handen gevouwen in haar schoot,
de ogen gesloten, in het besef van de dood.

De aders op haar voorhoofd, dik en blauw.
En voor haar, in de kist, open en bloot,
ligt haar kind, te wachten op zijn graf.
Ze durft niet te kijken, gekwetst en laf,
bang voor de aanblik van schokkend rood.

Nergens, in geen onbetreden hoekje van haar geest,
rijst het vermoeden
dat zijn bloeden
tijden later, de grond werd voor een feest.

 
   
 
   
XIII [voor in Lourdes of Fátima]
 
   

De Madonna ging naar Lourdes,
naar Fátima en Santiago.
Ze volgde oude pelgrimsroutes
en riep tenslotte: “Ho!
Ik heb geen machtig wapen,
maar had ik het, dan legde ik in de as
borsten, buiken, piemels, billen,
tenen, tanden en tongen van was.
Smelten zou ik ze,
smelten in de oven.
Wat voor gekken lopen hier rond,
die zó in mij geloven!”

 
   
 
   
XIV [voor in het hoekje van een hart]
 
   

En dan, de zachte kant.
Geen opstand, geen revolutie.
Slechts balsemende zachte handen
van een moeder, zielsbezorgd.
Die de pijn uit het gezicht van haar kind wil wrijven,
wil overnemen, voor hem zorgt.
Wil voorkomen dat zijn spieren verstijven.
Wil dat zijn leven is geborgd
en niet hier moet stranden.
En in stille devotie
wordt ze door verdriet overmand.

Rust zacht, mijn lieve jongen.
Rust zacht, mijn grote man.

Maar in de verte beweren reeds boze tongen
dat er niets is wat hij niet kan…

 
   
 
   
XV [voor in een klein kapelletje (van Hoogelande?)]
 
   

De Madonna van Sint Maximin,
zo zwart als in Sint Marie aan de Zee,
git als petit Niçoise,
nacht als Chinese inkt.

Door haar zijn veel wonderen gezien.
Door haar sterven mensen tevree.
Ze is de verkoelende oase
waaruit heel de mensheid drinkt.

Toch, in die schemerdonkere kerk
voelt ze steken in haar hart
en denkt ze, vol van smart:
was iedereen maar zwart.
Dan lag ik allang rustig onder mijn zerk.

 
   
 
   
XVI [voor in de boekhandel, bij de gedichten]
 
   

En ergens voor, boven, achter, in ons leeft zij voort
en kijkt verwonderd naar hen wier gebeden aan haar lijken verhoord.
Die daarbij vaak dansen op het slappe koord,
tussen niet en wel vertrouwen op het Woord,
balanceren tussen wel en niet gestoord.

Soms trekt zij zich vrijwillig terug in een oord
waar ooit de onschuld werd vermoord
en raadsels werden gegeven aan onze soort.
Diepe wijsheid werd aangeboord.

Waar de dageraad van inzicht gloort,
daar, tussen zuid en noord,
aanschouwt de Madonna ongestoord
wat uit haar naam werd en wordt gesmoord.

 
   
 
   
XVII [voor in de rechtbank]
 
   

De dwaze moeder van Golgotha
heeft nog jarenlang gedemonstreerd
tegen het onrecht haar zoon aangedaan.

Ze ging er voor op reis,
maar de rechter sprak streng en voornaam,
dat, gelet op termijn en bewijs
- en na te zijn gecontroleerd - ,
na tweeduizend jaar
de zaak zou worden geseponeerd.

 
   
 
   
XVIII [voor in het ziekenhuis]  
   

Snikkend trekt ze zijn bebloede kleed naar zich toe
en klauwt tevergeefs naar de levensdraden.
Ze probeert zijn koude, gemartelde lichaam te verwarmen.

Ze voelt zich ineens zó moe, zó moe
en op een wrede manier verraden.
Ineens komt een helder inzicht: er is geen erbarmen.

Niemand gaat hierover en er is geen clou.
Ze kan alleen bij de god in zichzelf te rade.
Met de dood in haar armen.

 
   
 
   
XIX [voor in het restaurant met kunst aan de muur]
 
   

De lucht was zo blauw als op de schilderijen van Zanella,
met klaprozen van het diepste rood.
Het graan stond als goud op de velden.

De vrouwen hadden hun best gedaan op de paella.
Ze stonden langs de weg met in hun ogen de dood
te wachten op de terugkeer van hun helden.

Daar kwamen ze, versuft, verslagen uit de hel, alla
Dante; hun vriend en meester was groots
en meeslepend gestorven. Verder hadden ze niets te melden.

Pas later, veel later, kreeg zijn dood voor hen zin,
omdat wat begon als een einde
de start was van een nieuw begin.

Maar, tussen de resten van scampi’s en kip
was er op dat moment nog geen begrip.

 
   
 
   
XX [voor in Perron 2]
 
   

De Madonna, getekend in de klare lijn,
sprak de reporter Kuifje aan:
“Weet u wellicht, bolgebroekte vriend,
hoe ik naar Perron 2 moet gaan?
Ik heb namelijk gehoord
- en daarom kan ik niet langer wachten -
dat het verzamelen van strips volgens sommige mensen,
net als religie, geïnstitutionaliseerd
geloof is in hogere machten.
Nu zoek ík slechts eenvoud, devotie en soberheid
en wil mijn leven leiden in ascese.
Vandaar mijn informatieve vraag:
moet ik dan bij Perron 2 wezen?”

Welgemutst sprak daarop de reporter monter:

“Goede vrouwe, het is mijn tempel en mijn kerk.
Zonder Perron 2 zou ik niet bestaan.
En men treft daar zeker veel toegewijde gelovigen,
die voor mij door het vuur willen gaan.”

Gearmd liepen zij toen beiden
naar het straatje van Sint Jan,
Waarop Hans, de sleutelbewaarder,
hen liefdevol onder zijn hoede nam.

 
   
 
   
XXI [voor Hans Overvliet en Ramon de Nennie]
 
   

Terug naar de oorsprong, terug naar de bron.
Steeds achterhalen waar alles begon.
In reeksen van woorden en beelden. Ik bezon
me op wat ik wilde en deed meer dan ik kon.

 
   
 
   
XXII [voor in een wijnkelder]  
   

Hier ligt de wijn als bloed van mijn kind.
Hoe kan het ook anders voor wie zoekt en dan vindt.

Hier stroomt bloed uit de Bourgogne en de streken rond Bordeaux.
Daar bracht de zending Kaapse Pracht en een Australische Merlot.

Als de aarde het lichaam is van mijn kind,
is de wijn het bloed dat alles met alles verbindt.

Maar, ik geef toe, in deze kelder,
zijn niet al mijn gedachten even helder.

 
   
 
   
XXIII [voor in het café]
 
   

Zwarte vlekken in haar gele gezicht, een glas port in de trillende hand.
Een lege blik, van bovenaf belicht, getuigend van een wijkend verstand.
Zorgeloos zijn haar dagen nooit geweest.
Ze wist het vanaf het begin.
Ze mist hém het meest,
maar treuren heeft geen zin.

Dat krijg je, als je van een mens een god hebt gemaakt.
Er zijn er voor minder wel aan de drank geraakt.

 
   
 
   
XXIV [voor Londen]  
   

Ergens op zee, tussen Domburg en Londen,
staan twee vrouwen, hun blik naar de zon,
op een veerpont die al eerder heeft verbonden
heiligdommen waar de een het eerst begon.

Nehalennia, ouder, haar geloof reeds geschonden,
en de Madonna, die anders wilde als ze kon.
“Wij zijn één, door dure geloften gebonden
en er zijn er meer, als de duigen van een ton.
Eén voor allen, allen voor één en zonder zonden
is er geen tussen Domburg en Londen.”

 
   
 
   
XXV [voor in het archief]  
   

“Laat me toch, ik heb mijn tijd gehad.
Waarom wil iedereen zoveel van mij?
Ik wil mijn eigen leven leiden,
Zoals zo velen; laat me vrij.”

De archivaris, jong, maar wijs voor zijn jaren,
zag haar lijden, voelde haar zorgen,
en heeft toen, in een onbewaakt moment,
haar voor eeuwig opgeborgen.

 
   
 
   
XXVI [voor in het theater]  
   

Voor de ogen van zo velen.
Avond na avond dramatiek.
Er kon bij niemand een lachje af.
Toen diende de Madonna de toehoorders van repliek:

“Het leven is een schouwtoneel
vol van onvervulde wensen.
Ik wilde zo graag gewoontjes zijn,
een mens onder de mensen.
Desnoods, desnoods een comédienne,
die mensen aan het lachen maakt.
Ik geef toe, het zou even wennen
zijn, maar nu voel ik me zo naakt.
Het symbool van het theater is lachen en huilen,
maar het evenwicht is kwijt.
Ik zit gevangen in mijn rol
en dat doet afbreuk aan de kwaliteit.”

Het publiek echter dacht daar anders over
en klapte de handen rood.
Na deze monoloog
stond de Madonna nog verder van de dood.

 
   
 
   
XXVII [voor in Berlijn]
 
   

Het was er vaak zo rustig, zo sereen.
Tussen de Rijksdag en de Brandenburger Poort.
Met kastanjes in herfstkleuren en konijntjes op het gras.

Een plek voor contemplatie.
Denken over het leven tussendoor.
Even weg van alle consternatie en de duizend tonnen as.

De Madonna kwam er graag,
maar nu is het er te druk.
Vreemd waar, dat er, met rondom zoveel geweld,
soms een oase is van klein geluk

 
   
 
   
XXVIII [voor in Berlijn, in het Duits]
 
   
Es war dort oft so ruhig, so still.
Zwischen Reichstag und dem Brandenburger Tor.
Mit herbstbunten Kastanien und Kaninchen im Gras.

Ein Ort der Besinnung.
Nachdenken über das Leben zwischendurch.
Einen Augenblick fort von allem Entsetzen und den tausend Tonnen Asche.

Die Madonna kam dort gerne hin,
aber jetzt ist es da zu voll.
Seltsam, wie es mit rundherum so viel Gewalt
manchmal eine Oase gibt des kleinen Glücks.
 
   
 
   
XXIX [voor bij de tandarts]  
   

Predikers en evangelisten schreven niet wat zij hadden gehoord.
De Madonna kende ten slotte – was erbij – elk uitgesproken woord.
Nee, er werd slechts opgetekend wat voeding gaf aan hun macht.
En ze gaven er niet om dat daarmee de waarheid werd verkracht.

Haar apocriefe boek heeft er zwaar onder geleden.
Ook die van haar vrienden werden te vuur en te zwaard bestreden.
Zij heeft ze altijd verafschuwd, vooral die mannen van het tweede uur.
Hun grijze, arrogante koppen; hun tongen giftig, hun geesten zuur.

Eén man kon haar redden uit de zielenood,
want was hij er niet geweest,
dan lagen al haar zenuwen nog bloot.

‘Relipenose’, denkt ze, tijdens de narcose,
met de handen in haar schoot.

 
   
 
   
XXX [voor Wim Phaff]
 
   

Ze zit hier al eeuwen
en slaat de goegemeente gade,
zowel het devoot aanbidden als het geeuwen.
Toch, al tweeduizend jaar vereerd.

Niemand ziet de zachte haren
en het preparaat ter voorkoming van maden.

- en het zorgvuldig gereconstrueerde skelet,
gevangen in een soort kippengaasachtig net -

Niemand weet: zij is de ware
en gewoonweg prachtig geprepareerd.

 
   

RJS
2006

 
   

terug naar overzicht
Klein leed
Zwarte dag, lichte nacht
In mijn donker uur
Dit eiland, mijn leven
Schijnvertoning
Klagenfurt
zintuiglijk geweld

De zeurende aanwezigheid van schijn

Madonna aan het Woord